Roosje
31-10-2009, 22:50
Kijk, dit schreef ik toen ik op Corsica was twee weken geleden. Ik weet nog niet wat het betekent. Evenmin waar het over gaat. Evenmin wat ik ermee moet. Maar ik ben een beetje experimenten aan het uitvoeren de laatste tijd, alleen omdat ik nooit iets laat lezen aan de mensen om me heen weet ik niet hoe ze uitpakken. Brand los!
Ah toe.
(En oh, dat boek is een Noors kinderboek dat echt prut vertaald is, maar stiekem een best gaaf concept heeft. Ik ging mijn zusje voorlezen.)
------------------------------------
Geïnspireerd door Enge Ella en de Nachtsschool, een boek van Unni Lindell.
Ik ben gemaakt van sterrenstof. In de wervelende spiralen van het heelal werd ik geboren, waar wetten niet meer gelden. Het is niet dat eeuwigheid geen tijd kent, zij heeft geen tijd nodig omdat er een reciprocale relatie bestaat. Is er iets als het eind der dagen? Is er iets voor een kind als ik? Ik ben er om te scheppen, om het vuur te doven en het water te vriezen, om niets dan dilemma’s te creëren.
Het is niet het antwoord dat wij zoeken. Het is de vraag. Hoog op witzilveren toppen, laag in de kern van een roodgloeiende kooltje, het pure oppervlak dat wij betreden – we staan en denken: ‘Hier komt alles samen. Hier ben ik één en alleen met het heelal.’ Maar wat is het dat we snappen? Ik pas niet binnen deze wereld. Ik hoor hier niet. De hogere sferen zijn mijn thuis, Trokmorten mijn kamer, ik betreed niets waar ik voetsporen herken.
Ik herhaal.
Wat is er voor een kind als ik? Waar is het goed toeven? Welke stappen moet ik volgen? Waarom ben ik nooit achtergelaten op de drempel van een kerk? Wie zijn de hartelozen die mij op de wereld hebben gezet? Voor wie warmen de stenen in de zon, voor wie spint de spin zijn webben? Voor wie stroomt het water in de diepte? Voor wie stijgt dit schappelijke sprookje op uit zee?
Je répète.
Zijn dit de vragen die wij zoeken? De antwoorden lees ik in het kraken van mijn stoel, het keren van kronkelige wegen en passen. De stappen die ik zet zijn al voorspeld door mijn ouders de sterren, die met me dansen als ik naar ze kijk. In mijn dromen duikel ik door de nevels van de Melkweg. Zij zijn niet geschapen om ons zicht te behagen – ze zijn slechts daar omdat ze niet anders kunnen. ’s Nachts is alles dichterbij.
Tijd bestaat niet in mijn ogen. Zon-maan-dinsdag voltrekt zich tegen de achtergrond van een vlekkeloos niets, een muur zo wit dat alle kleur er vanaf spat. Wat maakt het uit? Wat maakt wat uit? Wat maakt wat wat? Wat wat wat wat? Mijn hoofd een vastgelopen langspeelplaat, mijn vingers ratelend op het bord van de eeuwigheid. Het vuur in de haard is een perpetuum mobile, mijn hand de hand van een schrijver.
Je répète!
Ik doe niets dan. Mijn zinnen zijn. Ooit leefde er een. Toen zij volwassen was, verdween de grond onder. Wat is er? Wie liet haar? Hoeveel van die vragen zijn? Wat bleef er?
Mijn zinnen – de zinnen die zin hebben – blijven onafgemaakt, de vragen onbeantwoord, de antwoorden onbevraagd. Ik ben niets dan een zichzelf herhalende fluitspeler met ratten achter me aan, de ratten die me achtervolgen zoals de organist zijn kerkgangers heeft beïnvloed.
Wij. Je répète. Er is geen wij.
Ah toe.
(En oh, dat boek is een Noors kinderboek dat echt prut vertaald is, maar stiekem een best gaaf concept heeft. Ik ging mijn zusje voorlezen.)
------------------------------------
Geïnspireerd door Enge Ella en de Nachtsschool, een boek van Unni Lindell.
Ik ben gemaakt van sterrenstof. In de wervelende spiralen van het heelal werd ik geboren, waar wetten niet meer gelden. Het is niet dat eeuwigheid geen tijd kent, zij heeft geen tijd nodig omdat er een reciprocale relatie bestaat. Is er iets als het eind der dagen? Is er iets voor een kind als ik? Ik ben er om te scheppen, om het vuur te doven en het water te vriezen, om niets dan dilemma’s te creëren.
Het is niet het antwoord dat wij zoeken. Het is de vraag. Hoog op witzilveren toppen, laag in de kern van een roodgloeiende kooltje, het pure oppervlak dat wij betreden – we staan en denken: ‘Hier komt alles samen. Hier ben ik één en alleen met het heelal.’ Maar wat is het dat we snappen? Ik pas niet binnen deze wereld. Ik hoor hier niet. De hogere sferen zijn mijn thuis, Trokmorten mijn kamer, ik betreed niets waar ik voetsporen herken.
Ik herhaal.
Wat is er voor een kind als ik? Waar is het goed toeven? Welke stappen moet ik volgen? Waarom ben ik nooit achtergelaten op de drempel van een kerk? Wie zijn de hartelozen die mij op de wereld hebben gezet? Voor wie warmen de stenen in de zon, voor wie spint de spin zijn webben? Voor wie stroomt het water in de diepte? Voor wie stijgt dit schappelijke sprookje op uit zee?
Je répète.
Zijn dit de vragen die wij zoeken? De antwoorden lees ik in het kraken van mijn stoel, het keren van kronkelige wegen en passen. De stappen die ik zet zijn al voorspeld door mijn ouders de sterren, die met me dansen als ik naar ze kijk. In mijn dromen duikel ik door de nevels van de Melkweg. Zij zijn niet geschapen om ons zicht te behagen – ze zijn slechts daar omdat ze niet anders kunnen. ’s Nachts is alles dichterbij.
Tijd bestaat niet in mijn ogen. Zon-maan-dinsdag voltrekt zich tegen de achtergrond van een vlekkeloos niets, een muur zo wit dat alle kleur er vanaf spat. Wat maakt het uit? Wat maakt wat uit? Wat maakt wat wat? Wat wat wat wat? Mijn hoofd een vastgelopen langspeelplaat, mijn vingers ratelend op het bord van de eeuwigheid. Het vuur in de haard is een perpetuum mobile, mijn hand de hand van een schrijver.
Je répète!
Ik doe niets dan. Mijn zinnen zijn. Ooit leefde er een. Toen zij volwassen was, verdween de grond onder. Wat is er? Wie liet haar? Hoeveel van die vragen zijn? Wat bleef er?
Mijn zinnen – de zinnen die zin hebben – blijven onafgemaakt, de vragen onbeantwoord, de antwoorden onbevraagd. Ik ben niets dan een zichzelf herhalende fluitspeler met ratten achter me aan, de ratten die me achtervolgen zoals de organist zijn kerkgangers heeft beïnvloed.
Wij. Je répète. Er is geen wij.