![]() |
Verhalenwedstrijd: Zonder vleugels bereik ik de hemel ook wel.
Zonder vleugels bereik ik de hemel ook wel.
Vorige zomer ontmoette ik een meisje. Althans, ik zag haar in de trein. Ze vroeg me hoe ze in Amsterdam kon komen, of liever nog, naar Schiphol. Ik antwoordde, waarna ze zweeg. De trein ging immers richting Maastricht. Bij de eerstvolgende halte stapte ze uit, zodat ze terug kon reizen. Ik dacht haar nooit meer te kunnen zien. Zij wist het zeker, las ik in haar ogen. Toch zag ik haar deze zomer weer, ditmaal op het station. Nu zou ik wel weten voor wie ze terugkwam. Ze keek me aan met een blik die niet eens verrassing uitstraalde. Het was iets anders. Toen liep ze op mij af en ik kreeg het gevoel van een jaar terug. Mijn gevoel kon me niet meer helpen, echt objectief zou ik vanaf dat moment nooit meer zijn. Ik liet het toen maar afhangen van haar. 'Ik wil bij je wonen,' zei ze toen ik de moed had gevonden om haar aan te kijken. Zij had een zwaar Amerikaans accent, ik was verliefd. 'Waarom?' vroeg ik. Ik wilde mijzelf voor mijn hoofd slaan, waarom zei ik niet direct 'Ja! Dat kan!' of beter nog 'Graag zelfs!'? Er was iets dat me tegenhield, op dat moment. Het maakte niet uit dat ik een beetje verlegen was. Zij zweeg, wist natuurlijk niet precies wat ze met de situatie aan moest. Ze wist niets te zeggen. Ik zweeg ook, juist omdat ik zoveel te zeggen had dat de kans zo groot was dat ik het verkeerde zei. 'Ik ' Ze aarzelde. Ik bromde binnensmonds, wat helemaal niet het effect had dat ik graag zou zien. Het leek alsof ze nooit meer iets zou zeggen. 'Wat wilde je zeggen?' vroeg ik zachtjes. 'Ik ken je niet, maar toch wil ik bij je wonen.' 'Waarom dan?' 'Omdat je geld hebt.' Ze keek alsof ze het meende. Ik schrok en mompelde dat eerlijkheid het langste duurt. Ze keek me weer aan en even, misschien niet eens een seconde, zag ik haar denken dat die methode niet werkte. Maar meteen twijfelde ik aan mijzelf omdat zij zo zeker wist dat ze een grapje maakte. 'Natuurlijk wil ik je niet om je geld, ik wil je om de liefde!' 'Meen je dat?' 'Natuurlijk meen ik dat, crazy boy. I love you!' Het fluitje van de conducteur deed zijn werk, mijn trein neigde haast naar vertrek. Ik sprong naar binnen, zij bleef staan. De deuren sloten onverbiddelijk. Toen ik die avond terugkwam, stond ze er nog. Het had geregend. De bestrating was donkergrijs gekleurd, behalve een kleine cirkel waar zij stond. Ze rilde. Ik vond het maar stom. 'Vond je dat niet romantisch?' vroeg ze toen ze me naar huis bracht. 'Wat?' 'Dat ik de hele dag ben blijven staan voor je?' 'Nee. Ik vind het maar stom. Waarom zou je zoiets doen?' 'Ach, ik heb tijd genoeg,' zei ze, 'ze wilden bijna de politie bellen.' 'En terecht. Je wilde misschien wel voor de trein springen, wisten zij veel.' 'Dat wilde ik ook, en dat zou ik ook doen als je niet teruggekomen was.' 'Hoe wist je dan wanneer ik terug zou komen?' vroeg ik. De schrik was er bij mij goed ingeslagen. Het meisje waar ik verliefd op was, zou zomaar voor de trein willen springen, als ik mijn afwezigheid zou voortzetten. 'Ik gaf je tot de avond en dat heb je gehaald,' zei ze. 'Fijn,' merkte ik sarcastisch op, 'je zit me nu te chanteren, maar dan eigenlijk pas achteraf.' 'Eigenlijk wel, ja.' We waren bij mijn huis aangekomen. Ze kuste me en ik wenste dat zij de eerste was die me zo zou kussen, maar dat was ze niet. Ik ging naar binnen, voelde me verward. Die nacht sliep ik slecht, vooral door haar woorden. Toen ik wakker werd, wist ik dat mijn ochtend toch beter zou beginnen. Ik hervatte mijn leven, het meisje had ik een hele tijd niet gezien. De tijd kroop verder en mijn verliefdheid weigerde af te zwakken. Misschien moest ik haar wel zoeken, al zat ze daar misschien niet op te wachten. Waar zou ze zijn? Misschien was ze wel voor de trein gesprongen. Iets zei me dat ze van me hield. Ik was immers ook teruggekomen, ben zelfs het huis niet uit geweest. Wat er ook was gebeurd, ik zou zwijgen. Iedereen zou zwijgen, zelfs als het ergste was gebeurd. De passagiers hoefden enkel te rekenen op een twintigtal minuten vertraging, maar dat was lang niet zo erg als de werkelijkheid die over de rails zou stromen. Ik besloot haar te gaan zoeken, in het park, want ze zou vast niet meer naar het station gaan. Ik wist ook niet waarom ik dat dacht, maar vaak is de wanhoop een goede leidende draad. Ze zou daar zitten en ik had gelijk. Midden in het park zat ze, op een bankje, wat ik niet zo handig vond omdat ik wist dat de bankjes pas opnieuw in de verf gezet waren. Tegenover haar zaten twee oude mensen. Zo erg kon het dus niet zijn, dacht ik. Ze was in ieder geval niet de enige daar zat. Misschien waren de bankjes al wel droog. Ze draaide haar hoofd, zag mij en stond op. Ik liep naar haar toe en zag dat ze de grote kartonnen borden, met als tekst 'Pas op! Natte verf!', van de vier dichtstbijzijnde bankjes had gepakt, om zelf niet vies te worden van de verf. Ik keek naar het bankje tegenover haar en zag dat de twee bejaarden dezelfde conclusie hadden getrokken. Ze wierpen enkele vernietigende blikken naar me toe, maar ik ging vlug achter het meisje staan. Zij was immers de schuldige aan dit, niet ik. Ik nodigde haar uit om bij me thuis te komen en gelukkig nam ze de uitnodiging aan. Ze had dan ook zulke mooie ogen. Ik ook, overigens, waardoor ze wel moest accepteren. Ze ging mee. 'Waar woon je?' vroeg ik, om het spits af te bijten. 'Harlem,' zei ze. Ze bedoelde vast Haarlem, maar haar Amerikaanse accent liet dit niet toe. Ik besloot niet verder te vragen. 'Mijn vader was een piraat,' zei ze uit zichzelf. 'Een piraat?' 'Ja, een piraat ja.' 'Waar is hij nu dan?' 'Hij heeft een zeemansgraf gekregen,' zei ze vol berouw, 'maar hij zei dat ik alle mannen van de wereld zou krijgen en dat ik rijk zou worden.' 'Oh, sorry,' zei ik. 'Geeft niet,' zei ze. Ik schonk wat drinken voor ons beiden in en vroeg toen naar haar naam. 'Wil je het echt weten?' vroeg ze. Ik knikte. Ze zuchtte, dronk haar glas leeg en schraapte haar keel. 'Ik heet Roos.' 'Dat is toch niet zo erg, of wel dan?' 'Roos is één van de vele namen die mensen voor me hebben.' 'Hoe heet je dan voluit?' vroeg ik. 'Ik heet Rosie Marleen Karin Marieke Sarah Anne-Claire Sofie Simone Marjo Marenne Linda de Zwart.' 'Oh. Je hebt meer namen dan ik!' zei ik. 'Noem de jouwe dan eens?' 'Ik heet Rene, maar verder heet ik ook nog Joost, Timo, Christof, Wouter, Sander, Jasper, Willemijn, Jeroen, Yannick en Wolter.' 'Heet je Willemijn?' 'Ja, ik weet dat het een meisjesnaam is. Ik ben naar haar vernoemd.' 'Wie is dat?' 'Schijnbaar familie van me.' 'Oh.' Een stilte viel, de tijd tikte langzaam voorbij. Ik dronk mijn drinken op en leidde haar naar mijn kamer. Op mijn slaapkamer pakte ze een pen en schreef heel groot 'REPLAY' op de muur. Ik vroeg niets. We luisterden muziek en kusten elkaar. Ze kon het zo goed, alsof ze het iedere dag deed. We keken samen naar buiten, maar we zagen niets. 'Je ziet er mooi uit,' zei ik, zonder naar haar te kijken. 'Jij ook,' zei ze, 'ben je rijk?' Ik zuchtte. 'Waarom vraag je dat?' zei ik iets gemener dan ik bedoelde. 'Omdat ik rijk was.' Ik wachtte in de hoop dat ze zelf het vertelde, maar ze zei alleen dat haar vader een schat had. We bleven zo een tijdje naar buiten kijken, toen ze ineens vertelde dat ze eigenlijk naar huis moest. We wachtten op een mooi moment, maar dat kwam niet, dus we telden tot vijf. Toen drukte ik een vluchtige kus op haar wang en leidde haar naar de voordeur. Ik zou haar thuisbrengen, maar op een gegeven moment zei ze dat ik beter kon omdraaien. Ik wilde niet. De wijk die voor haar lag was een gevaarlijke wijk, met allerlei hoeren, junks en dealers. Je werd in elkaar geslagen om niets. De roos en het onkruid, maar ik gehoorzaamde en liet haar los. 'Straks ziet mijn baas je!' zei ze zachtjes. 'Je baas?' 'Ik bedoel, mijn vader.' 'Dat wordt vanavond dus niet slapen, dat begrijp je zeker wel.' 'Hoe bedoel je?' 'Ik had een droom,' zei ik, 'maar ' Ik zweeg. Zij verdween. De week erna zag ik haar nauwelijks, alleen 's avonds. In ieder geval, ik dacht haar te zien. Ze sprak niet met me, keek me alleen even aan, toen ze mee werd genomen door een jongen. De eerste keer was ik daar nog tussen gesprongen, ik beschouwde haar immers als mijn vriendin. Had de ander zelfs een paar klappen verkocht, maar Roos riep toen furieus dat ik me er niet mee moest bemoeien. Omdat ze anders helemaal geen leven op kon bouwen. We hadden niets, we zouden ook niets krijgen als ik haar zo met die andere jongens zag. Geen idee wat ze met ze deed. Ik was gewoon één van de velen, in de val gelokt door haar. Een stemmetje in mijn hoofd vertelde me dat ik blij mocht zijn dat ze voor mij gratis was, maar ik verdrong die gedachte. Ik had nu geen behoefte aan sarcastische opmerkingen, zeker niet van mijzelf. Zelfreflectie was nooit mijn sterkste kant geweest. Tot mijn verbazing was ik op het station, dus ik zocht daar maar een bankje, zodat ik rustig na kon denken. Deze bankjes zouden niet geschilderd worden. Het geklots en gerinkel van een zwerver kwam langzaam dichterbij, een gestalte die nog het meeste leek op een bewegende hoop vuile was. Hij sleepte een tas achter zich aan. Hij was naast me komen zitten. 'Nee, ik heb geen geld,' zei ik automatisch, half om half hopend dat de zwerver weg zou gaan. Hij bleef zitten. 'Oké, ik heb wel geld,' zei ik moeizaam, en trok als een gepensioneerde revolverheld mijn portemonnee en haalde er een briefje van twintig uit. Hij bekeek het aandachtig, snoof eraan en gaf het terug. 'Ik heb geen geld nodig, fawaka, ik heb niets nodig. Jij bent hier diegene die wat nodig heeft.' 'Nou, vertel,' mompelde ik ongeïnteresseerd. 'Vertel jij maar, jouw hart ligt in jouw schoenen. Dus, fawaka, vertel nou wat er aan scheelt.' 'Dat gaat jou niets aan.' 'Je vertelt geen verhalen aan mannen van de straat? Het gaat om dat meisje hè? Het is die madam waar jij van dacht dat ze jouw vriendin zou worden.' 'Houd je mond.' 'Ik heb gelijk, fawaka, ik leg mijn vinger tegen het zere been,' kirde de zwerver. 'Ik begrijp het,' zei ik. 'Fawaka, ik zie dat je geen zin hebt om te praten. Dus ik zal je maar één ding vertellen, fawaka.' 'Verras me.' Ik begon het gesprek zat te worden. 'Wist jij jonge,' zei de zwerver en hij bedacht meteen dat ik het niet wilde weten. 'Jonge, zie jij dat stuk rubber daar?' De zwerver wees op een rubberen cirkel die tegen een muur lag. 'Ik zie het,' zei ik. 'Met dat ding kun je er de hele dag blijven staan.' 'Hoezo?' 'Ik was hier de hele dag. Dat meisje van je is een hoertje, ze was er alleen maar om drugs te spuiten en klanten aan te trekken. Ze was er alleen maar omdat er een klant op het station was. Fawaka, jongen, geef toe. Het is een mooi meisje, maar ze verleidt je en ze wordt uiteindelijk heel duur.' Ik draaide naar de zwerver toe, die net een fles champagne ontkurkte en een kristallen glas tevoorschijn toverde. 'Je liegt dat je barst,' zei ik, zonder een emotie prijs te geven. 'Dat is waar.' Hij moest moeite doen om het geraas van een aankomende trein te overstemmen. 'Wij zwervers zien geen verschil tussen drank en werkelijkheid. We leven, bedelen en we kopen dromen.' Hij stond op, keek op zijn horloge en ademde diep in. De trein kwam sneller dichterbij en het zag er niet naar uit dat hij zou stoppen. De zwerver sprong op de rails en zijn gil klonk over het geraas van de trein heen. Ik keek niet. De fles champagne stond nog op het bankje, samen met het kristallen glas. Naast het bankje stond zijn tas nog. Ik keek in de tas, die vol geld bleek te zitten. 'Voor de liefde' stond er op het briefje dat op de tas geprikt zat. Ik ging naar huis en nam de tas mee. Morgen zou ik hem inleveren bij het politiebureau. De deur ging als onaangeraakt open en het voelde alsof ik dronken was. Op de bank in de woonkamer zat Roos. 'Wat doe jij hier?' vroeg ik, maar ze zwaaide alleen. Ze was dronken. 'Ik kom mijn angst wegdrinken.' Ze keek me aan met haar grote ogen en viel toen in slaap. Ik vloekte, maar ik raakte niet in paniek. Ik merkte alleen dat ze behoorlijk zwaar was voor een meisje van haar postuur. Ik besloot haar op de bank te leggen. Vannacht zou ze bij mij slapen. Ik dekte haar toe en zocht toen zelf een plaats om te slapen. Toen ik weer wakker werd, sliep ze nog. Ik bleef even naar haar kijken, maar mijn maag knorde, dus ik ging aan het ontbijt. Ik maakte ook iets voor haar klaar, zette dat op een tafeltje bij de bank. Toen ze wakker werd, at ze gulzig alles op wat er stond. Daarna keek ze om zich heen en leek vaag te beseffen dat ze ergens anders was. 'Waarom ben ik hier?' vroeg ze. 'Omdat je hier ingebroken hebt en vervolgens de wijnkelder hebt geplunderd.' 'Oké.' 'Roos, wat deed je met die andere jongens?' 'Dat zijn gewoon vrienden van me.' 'Ja?' 'Geloof je me soms niet?' Ze keek me aan en ik zwichtte. Vreemd hoe zulke dingen zo makkelijk kunnen gaan. Ik voelde me gerustgesteld, want die zwerver had toch geen gelijk gehad. 'Ik wil bij jou blijven, maar ik ga binnenkort weer naar huis.' 'En nu?' vroeg ik. 'Geen idee, maar ik ga morgen al.' Ze kwam overeind en ging op mijn schoot zitten. Vreemd hoe ze zelfs 's ochtends er op haar best uitzag. We zwegen allebei. De dag ging snel voorbij, al deden we niets. Ze bleef bij me slapen. Ze kuste in mijn nek, maar ik was niet in de stemming, dus ik deed alsof ik sliep. Haar ademhaling werd regelmatiger, dus durfde ik me weer om te draaien. Ik sliep die nacht niet. De volgende dag zaten we al vroeg op het station, ironisch genoeg op hetzelfde bankje als waar ik zat met de zwerver. Het glas stond er nog, de fles was al meegenomen. De tas met geld had ik meegenomen, nadat ik haar op de trein zou zetten, zou ik ermee naar het politiebureau gaan. Ik wist niets, maar dacht na. 'Je lijkt op een jongen uit mijn plaats,' zei Roos om de tijd te doden. 'Ik ben mijzelf, gelukkig is 'lijken op' het dichtste wat erbij kan komen.' 'Hoe bedoel je dat?' 'Dat je mijn identiteit niet kan afpakken.' Ze schudde verward haar hoofd. De trein kwam binnenrollen, stopte en Roos stapte in. Ze werd opgewacht door een brede man, waar ze bang voor leek te zijn. 'Kun je echt niet blijven?' vroeg ik haar. 'Nee, deze trein gaat naar Harlem en daar kan ik veel meer aan haar verdienen.' 'Hoe bedoel je dat?' 'Prostitutie is hier misschien legaal, maar in de States kun je er veel meer aan verdienen. Dus dan kan ik er ook meer aan verdienen.' 'Ze moet hier blijven,' zei ik, en probeerde wat breder te lijken. 'Hoe kom ik dan aan geld?' Ik gaf hem de tas met geld en pakte Roos' hand. De man keek in de tas en knikte goedkeurend. Hij pakte Roos bij haar schouder. 'Dat is een mooi voorschot van je! Bedankt!' De deuren sloten en het laatste wat ik van ze zag, was de brede man die wreed naar me lachte. Ik was verslagen, met de gedachten over een happy end langzaam vervagend, als kermismuziek die vertraagd werd. Er bleef niets over en ik was leeg. De mensen op het station lieten me met rust. Ik bleef er de hele dag staan én het regende, maar ik bleef wel staan. Tegenover me zag ik een schim van Roos, maar ik wist dat het nep was. Ik geloofde niet meer in sprookjes, vanaf dat moment. Het perron dat tegenover me lag was leeg, met uitzondering van een meisje, die haar hand naar me uitstak. Misschien wilde ze me redden en opvangen. Ik glimlachte naar haar, want het geluid van de treinen was te hard om er iets te kunnen schreeuwen. Ze glimlachte terug, maar ze keek ook bang en wanhopig. Heel even was het stil. 'Je hoeft niet bang te zijn,' schreeuwde ik. Het geraas kwam steeds dichterbij, het licht verblindde me haast, maar ik was niet bang. 'Niet doen!' schreeuwde ze naar me. En toen de sprong. Mijn sprong. |
| Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 07:59. |
Powered by vBulletin® Version 3.8.8
Copyright ©2000 - 2026, Jelsoft Enterprises Ltd.