~Onzichtbaar mooi~ (werktitel)
Dit is het begin van een verhaal waar ik mee bezig ben en dit keer ook echt ga afmaken! Misschien is het nu nog niet zo duidelijk, maar het gaat over een meisje dat een vooropleiding viool doet aan het conservatorium en de druk niet aan kan. Ze krijgt een eetstoornis.
Is het iets?
Ik sta voor de spiegel. Met mijn handen wrijf ik over mijn buik. Ze zweten. Mama zegt dat ik dik ben. Stefanie zegt dat ik normaal ben. Ik weet niet wat ik ben. Mijn buik voelt zacht aan. Buiten sneeuwt het. Ik zie vogelpootjes in de witte sneeuw. Mijn buik is ook wit.
Ik heb een roze jurk aan. In mijn haar blinken zilveren sterren en in mijn hand houd ik een zilveren toverstokje vast. Ik huppel door het huis, de trap op en naar zolder, waar oma de ramen heeft verduisterd en kerstboomverlichting heeft opgehangen. Hier is mijn kamer als ik bij haar slaap. Aan de muur hangen plaatjes van Sneeuwwitje, Assepoester en van feeën met net zulke toverstafjes en jurken als ik heb. We hebben ze samen uit tijdschriften voor kinderen geknipt en omdat we zo veel plaatjes hadden, mocht ik er ook een paar mee naar huis nemen. Die hangen nu boven mijn bed. Ik maak een pirouette en mijn rok wordt meegevoerd door de warme lucht die ik verplaats. Ik schuif alle stoelen en de tafel aan de kant en ik doe alsof ik een balletdanseres ben. Sierlijk verplaats ik me door de kamer met mijn hoofd trots omhoog. Ik hoor de zachte pianomuziek in mijn hoofd.
“Prinses!” Dat is oma. Ze staat onderaan de trap. “Prinses, kom eens!” Ik ren naar het trapgat. “Ik ben geen prinses, oma. Ik ben een goede fee!” Oma lacht, ik zie het aan de rimpeltjes bij haar ogen. Ik daal parmantig de trap af. “Maar we kunnen wel doen alsof, hoor oma. Dan doen we alsof ik een prinses ben en dan ben jij een...” Ik denk na. “Wat ben ik dan?,” vraagt oma nieuwsgierig. Ik weet het al. “Dan ben jij de koningin!” Ik lach en laat me naar beneden vallen, in oma’s armen. Ze houdt me stevig vast en zwiert me in de rondte. Ik moet heel hard lachen.
Mama staat in de deuropening. Ze vraagt wat ik aan het doen ben. Ik trek mijn trui over mijn hoofd en draai me om naar de deur. Ik keek niet in de spiegel, dat leek maar zo. Mama knikt. Ze vraagt ik met haar boodschappen wil doen. Ik heb geen zin. Ik zeg dat ik mijn kast op wil ruimen en dat ik nieuwe kleren wil voor het concert. Mama zegt dat ik minder moet snoepen. Ik draai me om naar het raam. De vogelpootjes zijn weg. Er is nog meer sneeuw gevallen.
Ik ben zes jaar en ik ga bij oma warme chocolademelk drinken omdat papa en mama niet thuis zijn. Er staat zachte muziek op. Ik krijg ook een zandkoekje en die eet ik langzaam op. Kleine hapjes. Dan kan ik er langer mee doen. Oma’s viool ligt op de vleugel. Oma kan heel mooi viool spelen. Ik speel ook viool. “Heb je al geoefend?,” vraagt oma. Ik schud mijn hoofd. “Dan oefenen we samen.” Ze lacht en loopt naar de kast. Ik sta op. “Maar oma,” fluister ik, “mijn viool is nog thuis.” Oma’s rimpeltjes naast haar mond gaan omhoog. Ze glimlacht en legt haar viool in mijn armen. Ik glim van trots.
Stefanie belt me op. Ze heeft het koud en ze verveelt zich. Of ik zin heb om mee te gaan naar de bioscoop. Ik haal mijn schouders op. “Ga je met me mee? Alsjeblieft?” Dat kan ze niet zien. Ik zeg niets. Ik heb geen zin. “Er draait een goede film!” Ik wil niet, maar ik ga toch mee.
|