![]() |
Sk reactiesnelheid en concentratie
Ik heb nu met scheikunde een PO en daar wordt de volgende vraag gesteld:
Mg(S)+2H+(aq) wordt Mg2+(aq)+H2(g) We hebben 4 keer een proef gedaan met magnesiumpoeder in zoutzuur. Steeds 1 schepje magnesium in een erlemeyer met daarin: 1e proef: 100 ml 0.0060 M zoutzuur 2e proef: 60 ml 0.10 M Zoutzuur 3e proef: 40 ml 0.15 M Zoutzuur 4e proef: 30 ml 0.20 M Zoutzuur vraag 1: Bereken de chemische hoeveelheid waterstofchloride die bij het begin van elk onderdeel aanwezig is vraag 2: Bereken hieruit het maximale volume waterstofgas dat kan ontstaan(bij een temperatuur van 273 K) bij vraag 1 is het antwoord volgens mij steeds 0.006 mol. maar uit vraag 2 kom ik helemaal niet wie kan mij helpen? alvast bedankt! |
niemand die het antwoord weet? :( :( :(
|
Citaat:
antwoord A neem ik maar van je aan, zolang het in twee cijfers nauwkeurig komt. 0,0060 mol waterstof ionen per buisje H2 heeft twee ionen per molekuul nodig voor vorming Vm=22,4 L /mol maakt 1/2 *0,0060 mol * 22,4 L/mol = reken maar uit :o :o :o :p |
wow dit gaat me iets te snel... maar ik zal het zo nog eens goed nakijken en maybe snap ik het dan beter...
Vm= maximaal volume??? |
[vraag 1
concentratie * volume = mol 1) 100 * 0.0060 = 0.60 mmol 2) 60 * 0.10 = 6.0 mmol 3) 40 * 0.15 = 6.0 mmol 4) 30 * 0.20 = 6.0 mmol vraag 2 verhouding 2:1 Dus je hebt in het begin 6 mol, dan ontstaat er 3 mol waterstofgas. 1)0.30 mmol H2 (g) 2)3.0 mmol H2 (g) 3)3.0 mmol H2 (g) 4)3.0 mmol H2 (g) mol *molvolume = volume molvolume = 22.4 1) 0.30 * 22.4 = 6.72 2) 3.0 * 22.4 = 67.2 etc. (uhm, ik had alleen geen zin om de eenheid te bedenken :o) Je kunt het trouwens ook via de massa en dan dichtheid doen, dan komt er natuurlijk hetzelfde uit :) |
hartstikke bedankt!!!
|
Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 18:12. |
Powered by vBulletin® Version 3.8.8
Copyright ©2000 - 2025, Jelsoft Enterprises Ltd.