Kop en schotel.
Het was een frisse lentemorgen, toen hij haar zag staan
tijdens het ontbijt.
Hij een wit vaal kopje, zij een blinkende meid.
Zij keek niet om naar 't lieve kopje, zo broos en klein,
vol verlangen naar haar gladde porselein.
'T schoteltje koos liever het ruime sop,
met vriend de afwaskwast of een grotere kop.
Daarbij stond zij in de servieskast en hij in de keuken,
was zij prachtig mooi, had hij alleen maar krassen en deuken.
Het mooie schoteltje zag hem niet staan, het was gedoemd te mislukken, ja, dat was gebleken,
en dat was genoeg om het kopje te breken.
Dit heb ik echt al een langere tijd terug geschreven. Veel rijm kwam vanzelf, zonder dat ik erover nadacht. Maar soms vind ik het toch te geforceerd, zoals op het laatst.
Ik zou graag jullie mening erover horen!