|
Proloog
Er was niets dan duisternis, dat zich uitstrekte over de kale vlakte. En daar, helemaal aan het begin, waar het licht overging in duisternis, waar de grenzen zich verstrekten, van liefde naar kwaad en wanhoop, stond een jonge Elf. Zijn zwarte haren, werden zachtjes meegevoerd door de koude wind, die ieder koude rillingen zou bezorgen. Ieder met een hart. Hij hief zijn hand boven zijn donkere ogen, waarin een zekere wanhoop te lezen was, en tuurde over de kale vlakte. Hij had een keuze, nu hij zich nog op de grens bevond. Hij kon terug gaan, naar het warme vertrouwde licht, van zijn wereld die niet langer zijne was, of hij kon zijn verbitterde geest verplaatsen naar het koude duister, dat hem vreemd was. Hij dacht niet na, dat vermogen begon te verzwakken, zijn eeuwenoude wijsheid werd vervangen door een kwaad, een wezen met de macht van het duister. Hij nam een keuze, en plaatste zijn beide voeten op de donkere aarde van een verdorven wereld, waar hij de schepper van was. Hij voelde brandende haat van zijn geest bezit nemen, terwijl een koude mist zich door zijn lichaam verspreidde, en al het goede in hem doodde. Zijn bleke huid voelde kil aan alsof er geen leven meer in hem was, alsof zijn bloed niet langer door zijn aderen stroomde. Maar hij keerde niet terug naar het licht, hij lachte. Hoog en kil, zonder plezier, een dode lach. Zijn volk, waarvan hij gehouden had, met heel zijn hart, had hem verstoten. En nu, terwijl hij zich liet overmeesteren door een kwade macht, zwoer hij, dat hij zich zou wreken. Hij, Angaráto Elanessë, heerser van de kwade wereld, dienaar van het duister, zou zich wreken, op zijn volk. Hij had niet langer het vermogen lief te hebben, het kwaad had bezit genomen van zijn geest, hij had niet langer een hart, geen ziel. Hij was heerser van het duister, meester van puur kwaad.
Ergens, dwaalde een hogere macht zonder vaste vorm over de kale vlakten van het duistere land, en glimlachte genoegend. Hier had hij op gewacht, zijn hele leven, zijn hele eenzame bestaan. Hij had gehoopt op een nieuwe schepper van zijn wereld, hij had gebeden tot zijn meester, de allerhoogste Heer, wakend in zijn duistere rijk hoog boven het land, gesloten voor het oog van ieder wezen. En zijn kwade gebeden, zijn bloedige offers, ze waren verhoord. Zijn Heer had hem niet in de steek gelaten. Vele wezens had hij geofferd, bloed van onschuldige wezens kleefde aan zijn handen, en het was gruwelijk. De gedachten aan zijn slachtoffers, lijdend van de helse pijnen, schreeuwend om genade, om de goden die hen in de steek lieten, en hun lichamen, die het begaven, die de dood vonden, door zijn handen, zijn werk, deed hem rillen van puur genot. Hij was kwaad, hij was puur kwaad. Hij nam een vaste vorm aan, om zijn slachtoffers te kunnen laten lijden, en ze van hun miezerige levens te kunnen beroven. Het laatste slachtoffer was hem bij gebleven, het was een mens. Een klein meisje, verzonken in haar nachtmerries, badend in het zweet van angst. Hij kon het ruiken, haar angst, haar onschuld. Hij had in haar ogen gekeken, en zag de doodsangst die ze doorstond. Even, een fractie van een seconde, had hij medelijden met het kleine meisje gevoeld, even voelde hij de pijnen van een mens. Maar het kwade drukte het gevoeld dat in hem opkwam de kop in. Hij had het meisje gedood en haar levenloze lichaam in zijn armen gehouden. Hij had naar de blonde krullen gekeken, de blauwe ogen, vervuld met kinderlijke onschuld, en even voelde hij een band met het kleine meisje. Een band, die mensen, met een hart zouden onderscheidden als familie, broer en zus. Even wilde hij de hoop opgeven, dat zijn rijk zou herreizen, en met het meisje meegaan naar een wereld waar doden heen gingen. Maar nu was zijn wereld ontdekt, gevonden door een zwakke prooi, en het kwaad had hij doen ontwaken. De jonge Elf, zou een rijk stichtten, en kwade volgelingen werven. Hij zou heerser, terwijl de haat zijn identiteit zou verbergen. Dat wist hij zeker. Hij had de zwakke prooi geroken, zijn woede en zijn wanhoop, en stelde zijn duistere wereld bloot aan de ogen van de Elf. Hij, was heerser geweest van de wereld van het kwaad, maar zijn lichaam was hem ontnomen. Sin Mea, Godin van het goede, nam die van hem weg. Zijn ziel had hij lang geleden verloren, en hij had geen ziel nodig, hij kon niet meer voelen. Hij voelde geen angst, geen pijn, en geen medelijden. Hij toonde geen genaden, als hij wezens offerde aan zijn Heer, hij kende geen genade. Maar hij kon ook geen liefde voelen, geen genegenheid en geen blijdschap. Hij was leeg van binnen, alles wat hij over had was de kwade macht die in hem school.Ooit, was hij mens geweest, had een leven gehad, en had het vermogen lief te hebben. Maar nu, was hij een wezen, zonder lichaam, zonder hart en ziel, maar kwader dan ieder ander. Dit, was nu zijn thuis, een duistere vlakte, gehuld in een zwarte mist, en zonder horizon. Zijn rijk had geen grenzen, het was overal, en ook weer nergens. Ooit was het bewoond geweest, hadden er wezens geleefd die hem dienden, en vochten aan zijn zijde in oorlogen, gevechten tussen goed en kwaad. Maar zij stierven, allemaal, een voor een vonden zij de dood. Zijn wereld was verguld van dood, dolende zielen, en verdorven geesten. En nu, was het tijd om zijn wereld te herstellen, nieuw leven in te blazen. Hij zocht een nieuwe leider, een koning, van zijn wereld. En die, had hij nu gevonden. Zijn gevallen rijk, zou wederom worden opgebouwd, en het kwaad zou geschiedden.
|