Opladen
Als ze uit haar raam keek, zag ze de bladerloze toppen van een aantal bomen en donkere wolken die met flink tempo de lichte blauwe lucht verjoegen, als in een impressionistisch schilderij. Zwijgend keek ze naar buiten, een traan rolde over haar wang. Ze wist dat de wind om het huis joeg met een zingend geluid, maar ze hoorde het niet doordat ze een cd op had staan. Als haar zusje thuis was geweest, was die vast naar haar kamer gestampt om het geluid zachter te zetten. Maar er was niemand thuis en ze kon haar muziek zo hard zetten als ze wilde.
Nu ze alleen thuis was, kon ze eindelijk doen en laten wat ze wilde. Ze kon zichzelf zijn zonder zich daarvoor te moeten schamen. Langzaam veegde ze de traan weg en tot haar opluchting bemerkte ze dat er geen nieuwe kwam. Ze trok haar gordijn dicht en deed de lichten uit. Het was donker, zo donker dat ze niets kon zien. Natuurlijk zouden haar ogen straks aan het donker gewend zijn en de vage omtrekken van haar bureau en bed kunnen zien, maar voorlopig genoot ze van dit eindeloze zwart. Op de tast ging ze op haar bed liggen, ze sloot haar ogen en probeerde te stoppen met denken. Eerst vlogen er nog allerlei gedachten door haar hoofd. “Ik wou dat ik je nooit had leren kennen.” “Ik begrijp jou niet.” “Blijf toch niet zo in het verleden hangen.” “Je bent niet de persoon die je denkt te zijn. Ook jij kan vrolijk en gelukkig zijn.”
Wat een onzin. Ja, ze kon wel vrolijk en gelukkig zijn, maar dan was ze niet zichzelf. Nu, op die moment, was ze wel zichzelf. Langzaam stierven haar laatste gedachtes weg en het werd leeg in haar hoofd. Haar ogen waren nog steeds gesloten en het was onmogelijk te zeggen waar haar bed begon en haar lichaam eindigde. Zij en haar kamer waren één en zo hoorde het te zijn. Voor even voelde ze de beperkingen van haar lichaam niet, voor even kon ze vrij zijn. Er waren geen mensen om zich heen, ze hoefde met niemand rekening te houden. Ze kon op haar bed liggen en zich levend voelen. Ze was niet meer in haar lichaam, ze bestond enkel nog uit zwevende energie. En ze wist dat het zo moest zijn. Haar lichaam hoorde niet bij haar.
“Hoi liefje, we zijn thuis!” gilde haar moeder onder aan de trap. “Kom je zo beneden, dan gaan we koffie drinken.” Ze opende haar ogen en kwam weer tot zichzelf. Ineens werd ze zich weer bewust van haar lichaam, dat ze nog net zo haatte als even daarvoor. En hoewel ze barstende hoofdpijn had, had ze het gevoel dat ze er weer tegenaan kon. Ze was weer opgeladen, ze had weer voor een moment haar ware gedaante aan kunnen nemen. Nu begon het toneelspel weer, nu moest ze doen alsof ze een doodnormaal persoon was met een lichaam dat bij haar paste. Ze was geen normaal persoon en ze had al helemaal geen lichaam dat bij haar paste, maar dat scheen niets uit te maken. Zeuren over dingen waar je niets aan kan veranderen was verboden. Dat was de regel, doe niets waardoor je het toneelspel van de wereld verstoort.
“En, heb je nog iets bijzonders gedaan?” vroeg haar moeder. Ze schudde haar hoofd. “Nee, niet echt.” “Muziek geluisterd zeker,” smaalde haar zusje. “Onder andere,” knikte ze en ze glimlachte breed. “En wat hebben jullie gedaan?”
__________________
Het werkelijke leven is een veel oppervlakkiger gedoe dan men zichzelf bekennen wil. (T. Thijssen)
|