Door gebruik te maken van Scholieren.com of door hiernaast op ‘akkoord’ te klikken, ga je akkoord met onze gebruiksvoorwaarden en geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Als je niet alle cookies wilt toestaan, ga dan naar ‘instellingen aanpassen’ om dit in te stellen. Ben je jonger dan 16 jaar? Zorg dan dat je toestemming hebt van je ouders om onze site te bezoeken. Hier lees je alles over hoe wij omgaan met je privacy.

Oud 03-07-2005, 20:04
®Observer
Avatar van ®Observer
®Observer is offline
Roman ('tisch') schreef een verhaal voor het literaire tijdschrift Lava. Ik las het verhaal en wilde er tekeningen bijmaken. Het resultaat van onze samenwerking willen we jullie niet onthouden. Graag horen we jullie mening erover! En mochten jullie het verhaal en de tekeningen heel leuk vinden, schroom dan niet ze over te nemen en op je eigen LJ te zetten. We willen graag reacties van zoveel mogelijk mensen.

De machtige dagen van Jerzy Narovski

Jerzy Narovski klopt hard op mijn deur.
‘Wie is dat?’, vraagt Latoya. Alles wat zij zegt, klinkt als een sneer.
‘Ik weet het niet’, antwoord ik.
‘Als het maar niet die Pool is’, zegt ze.
‘Die Pool heet Jerzy’, roep ik terug.
Jerzy Narovski, een ex-marinier.
Sinds een week is hij onze bovenbuurman. Ik zag hem voor het eerst toen ik bij hem aanbelde om te klagen over de geluidsoverlast.
‘Het is al laat’, zei Latoya vlak daarvoor. ‘Midden in de nacht… en die gek heeft de muziek hard aanstaan.’
Ik gaf haar gelijk, ook al was het pas tien uur. Als ik tegen Latoya inga, moet ik op de bank slapen.
‘Ga naar hem toe,’ zei ze. ‘En zeg dat hij de muziek zachter zet.’
Ik wilde niet, want zelf had ik geen last van de muziek, maar omdat Latoya erom vroeg en ik haar uit eigenbelang niks weiger, klopte ik aan bij Jerzy.
Het duurde even voordat de deur werd opengedaan, maar toen Jerzy in de deuropening verscheen, deinsde ik achteruit.
Hij was een grote man, met een gladgeschoren gezicht en grasvelden van haar op zijn armen en borst. Hij droeg slechts een strakke pyjamabroek.



‘Wat is er?’, vroeg hij met een zware, kalme stem. Hij maakte zijn lippen nat met zijn tong.
‘De muziek’, zei ik, mij bewust van mijn kleinheid. ‘Mijn vrouw heeft er last van.’
‘Kom even binnen’, zei Jerzy.
Aarzelend betrad ik zijn appartement.
De woonkamer was uitstekend verlicht, met drie felle lampen. Aan de muren hingen portretten van beroemde personen; Stalin, Gandhi, Mao, Mandela, enzovoorts.
Jerzy liep naar de radio en zette het volume lager.
‘Zo goed?’, vroeg hij.
Ik knikte, terwijl ik de portretten aan de muur bekeek. Mijn blik bleef rusten op een van Hitler.
‘Hitler’, zei Jerzy. ‘Een beest, maar hij kreeg het voor elkaar om meer dan zestig miljoen mensen te manipuleren.’
Ik knikte en liep richting de deur.
‘Sorry voor de overlast’, zei Jerzy.
‘Geen probleem’, antwoordde ik, waarna ik zijn appartement verliet.
Terug in mijn eigen huis, vroeg Latoya: ‘En?’
‘Hij heeft het zachter gezet, hoor je?’
‘Ja’, antwoordde ze. ‘Ik hoor het.’
Ik boog mij voorover om haar een nachtzoen te geven, maar ze draaide zich van mij weg.
‘Weet je dat hij een portret van Hitler heeft ophangen?’, vroeg ik.
Ze antwoordde niet.

-

‘Hé’, roept Jerzy ondertussen. ‘Maak open, ik weet dat je er bent!’
‘Zie je nu wel’, roept Latoya. ‘Het is die Pool!’
‘Wil je openmaken?’, vraag ik haar. ‘Ik zit in bad.’
‘Nee’, roept ze terug. ‘Ik wil niks met die smeerlap te maken hebben!’
‘Het is geen smeerlap’, schreeuw ik ontzet.
Eerst dacht ik ook dat Jerzy een smeerlap was. De tweede avond dat hij in onze flat woonde, klonk er weer harde muziek, in combinatie met een hoop gebonk.
‘Hij is aan het dansen’, zei Latoya. ‘Met die vriend van hem.’
‘Vriend?’, vroeg ik verbaasd.
‘Ja, er is een uur geleden zo’n kaalgeschoren man naar boven gegaan.’ Ze zuchtte even en vervolgde: ‘Het moet afgelopen zijn, ik wil slapen! Ga jij even zeggen dat hij moet ophouden!’
Haar vraag was een bevel, dus liep ik de trap op naar boven en klopte aan bij Jerzy.
Dit keer werd er niet opengedaan en voordat ik het zelf doorhad, drukte ik de klink omlaag en stapte het appartement binnen. Ik schrok.
Jerzy en de andere man dansten niet; de man stond voorovergebogen, terwijl Jerzy zijn geslacht in hem ramde. Jerzy’s hoofd was rood aangelopen en er stond een verbeten trek op zijn gezicht.
Voordat ze mij zagen, draaide ik mij om en sloot de deur.
‘Er wordt geneukt’, zei ik beneden tegen Latoya, die al in bed lag. ‘Bah, wat smerig!’
‘Geneukt?’, vroeg Latoya verbaasd. ‘Bedoel je die twee mannen?’
Ik knikte.
Ondertussen kroop ik naar haar toe en streelde haar buik onder de deken.
Mijn hand kroop omhoog naar haar borsten, maar ze draaide zich om.
‘Ik zal maar proberen te slapen, zeker’, vervolgde ze. ‘Met al dat kabaal zal dat niet makkelijk zijn!’ Het klonk als een verwijt aan mij.
Ik zweeg, want ik werd moe van Latoya. Al zes maanden geen seks, zonder reden. Al zes maanden kafferde ze mij uit.

-

Jerzy is volhardend, want hij blijft op mijn deur kloppen.
‘Latoya’, roep ik. ‘Maak toch even open.’
‘Nee’, schreeuwt ze veel te luid terug. ‘Doe het zelf maar.’
‘Ik zit in bahaad!’
‘Dan komt hij maar teruhug straks!’
Ik dompel mijn hoofd onder water, om een helderder perspectief te krijgen. Daarna roep ik, gekalmeerd: ‘Misschien moeten we maar gaan scheiden!’
Ik droom al jaren van een scheiding. Volgens mij al sinds onze huwelijksnacht. Latoya ontpopte zich direct tot een secreet die haar gelijke niet kent. Tegen mijn moeder is ze poeslief, maar alleen met mij laat ze blijken hoe ze over me denkt: ‘Je geld, daar gaat het mij om. Je verdient goed, ik verdien niet.’
Latoya heeft nooit gewerkt en ze is dat ook niet van plan.
‘Scheiden?’, vraagt ze sarcastisch. ‘Dat lijkt mij niet. Ik maak je leven tot een hel.’
Dat doe je al, denk ik, te laf om dat hardop te zeggen. Je moet je verdriet nooit hardop uitspreken, want dan maak je het tastbaar voor anderen zodat ze je ermee kunnen aanvallen.

De dag nadat ik Jerzy samen met de man had gezien, klopte hij enkele malen op mijn deur. Ook toen weigerde Latoya open te maken, waarna ik haastig van het toilet kwam om de deur alsnog te openen.
Ik schrok van Jerzy.
‘Hoi,’ zei hij. ‘Is die BMW op de stoep van jou?’
Ik knikte, via mijn werk had ik een BMW gekregen. Een Z4.
‘Zullen we er een eindje in rijden?’
Voordat ik kon antwoorden, trok Jerzy mij aan mijn mouw mee naar buiten.
‘Kom, het is mooi weer, het wordt vast leuk!’, zei hij enthousiast.
Zonder Latoya te melden dat ik verdween, ging ik met Jerzy mee. Ik voelde een zekere weerzin voor hem, na wat ik de nacht ervoor had gezien.
Niettemin stelde zijn aanwezigheid mij op mijn gemak. Hij straalde kunde uit, maar waarin weet ik niet. Levenskunde misschien, iets waaraan het mij ontbrak.
‘Waar wil je heen?’, vroeg ik, eenmaal in de wagen.
‘De snelweg’, zei Jerzy. ‘Dáár moet dit beestje rijden.’
Hij maakte zijn lippen nat met zijn tong en zei: ‘Gisteravond, ik hoop niet dat je het verkeerd opvatte?’
Ik schrok. ‘Gisteravond?’
Het zweet stond in mijn handpalmen en sijpelde in druppeltjes onder mijn oksels vandaan.
‘Ik zag dat je binnenkwam, toen ik die man neukte.’
Ik aarzelde even. ‘Ja, sorry… ik wilde niet binnenkomen toen … nou ja… toen.’
Jerzy lachte.
‘Neuken’, zei hij.
‘Neuken?’, vroeg ik.
‘Ja, zeg het woord eens, of heb je er moeite mee?’
‘Uh… nee hoor. Neuken.’
Ik zei het ferm, zodat er geen discussie over kon ontstaan.
Weer lachte Jerzy en zei: ‘Toen jij de man neukte.’
‘Waarom wil je dat ik dat zeg?’
‘Daarom, gewoon….’
‘Toen ik de man neukte.’
‘Ik toch?’
Weer lachte Jerzy, waarna hij opnieuw met zijn tong over zijn lippen gleed.
We reden inmiddels op de snelweg en Jerzy zei: ‘Rij eens harder.’
Ik verhoogde mijn snelheid ietwat, terwijl ik Jerzy stoer aan keek. ‘Goed zo?’
‘Prima,’ antwoordde hij.



‘Is zij je vrouw?’, vroeg hij vervolgens.
‘Latoya?’
Hij knikte.
‘Ja, zij is mijn vrouw.’
‘Je houdt niet van haar’, zei Jerzy, alsof hij de waarheid in pacht had. ‘Je zei niet tegen haar dat je wegging net.’
‘Dus dan houd ik niet van haar?’
‘Nee’, zei hij. ‘Dan hou je niet van haar. Rij eens wat harder, we worden te vaak ingehaald.’
Ik begon nog harder te rijden en zei: ‘Je hebt gelijk: ik hou niet van haar.’
Het gaf een bevrijdend gevoel eindelijk de waarheid te spreken.
‘Waarom verlaat je haar niet?’
‘Ik durf niet, ze zal mij helemaal uitkleden. Ze is net een vos.’
‘Maar je wil haar wel verlaten?’
‘Eigenlijk wel, maar ik ben zo bang voor de toekomst.’
‘Dat begrijp ik’, antwoordde Jerzy. ‘Kom, rij nog wat harder.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Dit is hard genoeg.’
‘O’, antwoordde Jerzy. ‘Dat wist ik niet.’
Daarna lachte hij; Jerzy bezat veel blijdschap.
We zwegen een tiental seconden en daarna zei ik: ‘Vertel eens wat over jezelf.’
‘Nee’, antwoordde Jerzy. ‘Het gaat vandaag over jou! Wat is het meest gewaagde wat je ooit deed in je leven?’
Ik dacht een moment na, waarop mij iets te binnenschoot.
‘Op een dag’, begon ik, ‘verhuisde ik van de ene studentenkamer naar de andere.’
Jerzy keek mij geïnteresseerd aan. ‘En toen?’
‘Nou’, zei ik. ‘Die andere kamer was een paar kilometer verder, dus ik liep heen en weer met mijn spullen.’
Jerzy knikte onophoudelijk.
‘En toen?’, vroeg hij weer. ‘Geef trouwens eens gas bij.’
Ik zat zo in mijn verhaal, dat ik gas bijgaf, ook al wilde ik dat niet.
‘Toen ging ik naar de supermarkt op de hoek van de straat…’
Ik liet een pauze vallen.
‘En daar vroeg ik of ik een winkelwagentje mocht lenen.’
‘Voor je spullen?’, vroeg Jerzy geïnteresseerd.
Ik knikte.
‘En toen?’
‘Niks’, zei ik. ‘Dat was het.’
‘Godverdomme’, vloekte Jerzy. ‘Dat meen je niet.’
Even zweeg hij, toen vervolgde hij: ‘Rij maar weer terug naar huis, hoor.’
Enkele minuten later, vlak voor de flat, stak een vrouw het zebrapad over. Jerzy hing uit het raam en zei: ‘Wat een lekkertje.’
Hij staarde naar haar kont.
‘Vind je niet?’, vroeg hij.
‘Ja’, antwoordde ik. ‘Zeker.’
‘Spreek haar eens aan’, zei Jerzy. ‘Gewoon, een praatje maken. Kopje koffie drinken samen.’
‘Waarom?’
‘Je moet weg bij je vrouw, overspel kan je daarbij helpen.’
Hij zei het alsof hij het weerbericht voorlas uit de krant.
‘Overspel is vreselijk’, zei ik walgend. ‘Dat is het zwakste dat je kunt doen.’
‘Vind je?’, vroeg Jerzy.
Ik knikte heftig mijn hoofd. ‘Absoluut. Onvergeeflijk.’

-

Jerzy Narovski klopt niet meer.
‘Heb je de deur opengedaan?’, schreeuw ik vanuit de badkamer.
‘Nee’, antwoordt Latoya. ‘Ik denk er niet aan.’
Kwaad sta ik op uit het bad, ik glij bijna uit over de gladde stenen, maar kan mij ternauwernood vastgrijpen aan het douchegordijn. Vervolgens sla ik een handdoek om mijn onderlijf. Op natte voeten ren ik door de woonkamer naar de deur.
‘Je maakt het zelf schoon’, roept Latoya ongeïnteresseerd.
Ik open de deur en hoor voetstappen op de trap.
‘Jerzy’, roep ik. ‘Ik ben er.’
De voetstappen op de trap stoppen even, waarna Jerzy roept: ‘Ik wist het.’
Daarna rent hij de trap op. Hij draagt een mouwloos shirt en lacht. Op zijn linkerbovenarm prijkt een tatoeage van een vis.
‘Wat is er?’, vraag ik.
‘Niets vragen’, antwoordt hij. ‘Meekomen naar buiten.’
‘In deze handdoek?’
Jerzy knikt, maar ik schud mijn hoofd. Hij heeft mij echter al bij mijn hand gepakt en trekt mij met een ontzettende kracht mee.
‘Laat me maar los’, zeg ik. ‘Ik volg je wel.’
Jerzy neemt echter het zekere voor het onzekere en houdt mij vast.
We lopen samen naar buiten. Het is zo warm dat de waterdruppels op mijn huid snel verdampen.
Jerzy loopt opgewonden om mij heen en zegt: ‘Kijk eens naar al die mensen!’
Op het trottoir voor onze flat staan zeker dertig mensen. Ze kijken gebiologeerd naar de hemel.



‘Wat is er te zien?’, vraag ik, maar Jerzy wuift mijn vraag weg.
Nogmaals vraag ik: ‘Wat is er te zien?’
‘Ssst’, sist een iel, klein mannetje plotseling. Hij staat een meter bij mij vandaan en kijkt eveneens naar de hemel.
Hoewel ik er niks van snap, zwijg ik. Uit respect voor het iele, kleine mannetje. Jerzy loopt ondertussen door de menigte heen, hier en daar maakt hij een praatje, waarna hij telkens naar de lucht wijst.
Ik neem plaats op het trapje bij de ingang van de flat en bekijk de mensen. De meesten van hen zijn keurig in pak, echte zakenmensen. Sommigen lopen echter rond in een trainingsbroek, alsof ze aan het sporten waren en plotseling de behoefte voelden zich voor mijn flat te verzamelen om naar de lucht te kijken.
Jerzy komt ondertussen naast mij zitten.
‘Wat is er te zien?’, vraag ik met gedempte stem.
‘Vraag dat maar aan hen’, antwoordt hij mysterieus. Er speelt een lach rond zijn lippen. Hij wijst naar de groep mensen en zegt: ‘Vraag het hen.’
Op dat moment begint een ietwat gezette vrouw, met een raar hoedje te roepen. De klanken die ze uitstoot zijn aanvankelijk onverstaanbaar, maar als ze enigszins is gekalmeerd, weet ze toch te vertellen wat haar zo opgewonden maakte.
‘Ik zag een glimp!’, roept ze. Ze neemt een zakdoek en dept haar voorhoofd. ‘Ik zag het echt!’
De menigte mompelt instemmend.
‘En?’, vraagt het iele, kleine mannetje. ‘Hoe zag het eruit?’
Hij staart nu zelf ook naar de lucht.
De gezette vrouw trekt een chagrijnig gezicht, buigt vervolgens haar hoofd en zegt: ‘Dat weet ik niet meer. Het ging allemaal heel snel.’
Ze loopt bij de groep vandaan als een kind dat straf heeft.
Ik sta op en loop de vrouw achterna.
‘Wat denkt u gezien te hebben?’, vraag ik geïnteresseerd.
‘Denk, denk?’, zegt de vrouw verontwaardigd. ‘Wat heb ik gezien, bedoelt u.’
Ik zwijg even, want de vrouw wil graag vertellen. ‘Ik zag wat die Pool ons al een week voorhoudt.’
Ze wijst naar Jerzy en haar vinger begint te trillen.
‘Elke dag zegt hij: kijk dinsdag naar de hemel, dan gebeurt er iets wonderbaarlijks!’
‘En u zag het?’
‘Ja’, antwoordt de vrouw aarzelend. ‘Ik denk van wel.’
Ik bedank de vrouw en wil teruglopen naar Jerzy, die blijmoedig op het trapje
zit. De vrouw is echter nog lang niet uitgesproken. Ze klampt zich vast aan mijn arm, maar ik trek mij los en loop bij haar vandaan.
Jerzy kijkt mij lachend aan en vraagt: ‘Wat zei ze?’
‘Wat heb jij ze wijsgemaakt?’, vraag ik, terwijl er een man ineens roept dat hij ook iets heeft gezien.
‘Iets zilvers’, zegt hij. ‘Met lampjes!’
‘Wat ik ze heb wijsgemaakt?’, vraagt Jerzy. ‘Gewoon: onzin.’
Hij kijkt met een guitige blik om zich heen en zegt: ‘Ik heb macht over ze. Merk
je? Macht’
Daarna staat hij op en loopt de flat in. Ik ben te verbaasd om hem tegen te houden. Vlak voor hij de deur sluit, zegt hij: ‘Je moet weg bij die Latoya… geloof me: je moet haar eruit schoppen!’
Ik blijf op het trapje zitten en kijk verbaasd naar de mensen die nog steeds naar de lucht staren alsof er iets wonderbaarlijks staat te gebeuren.
Ik besluit hen de illusie te ontnemen en loop naar het midden van het groepje.
‘Mag ik even uw aandacht?’, vraag ik.
Het iele, kleine mannetje kijkt mij geïrriteerd aan.
‘Wat is er nu weer?’, vraagt hij.
Ik negeer het mannetje, wat hem waarschijnlijk vaker overkomt.
‘Mag ik uw aandacht?’
Er kijken een paar mensen naar mij, iets wat anderen opvalt, waarna ook zij naar mij kijken. Op een gegeven moment heb ik de aandacht van iedereen. Ik schraap mijn keel en zeg: ‘Jerzy…’
De vrouw met het rare hoedje kijkt mij vragend aan.
‘De Pool’, verhelder ik de zaak voor haar. Ze knikt.
‘De Pool heeft jullie iets wijs gemaakt, bij wijze van een experiment.’
‘Hoe bedoel je?’, vraagt het iele, kleine mannetje.
Dit keer besluit ik hem niet te negeren.
‘Er is vandaag niets te zien’, ga ik verder. ‘Maar als je lang genoeg herhaalt dat er iets te zien is, dan geloven mensen daar soms in. Zoals jullie vandaag.’
Mijn stem trilt, maar misschien horen ze het niet.
Vanuit de groep mensen klinkt een collectieve zucht, waarna het iele mannetje, blijkbaar de stem van de groep, zegt: ‘Wat lul je nou? Hij had echt goede bewijzen hoor… dat er iets zou zijn te zien. Dus laat ons nu maar.’
Hij steekt zijn middelvinger naar mij op.
Daarna keren de mensen zich van mij af en staren wederom naar de lucht, terwijl ze op fluistertoon tegen elkaar mompelen.
Ik buig mijn hoofd voor zoveel onwetendheid.
Plots bedenk ik mij dat ik de hele tijd met slechts een handdoek om mijn lijf op straat sta. Ik schaam mij opeens voor mijn blote borstkas en loop de flat in, naar mijn appartement. De deur staat open, wat niet de gewoonte is van Latoya. Ik loop de huiskamer binnen en daar staat Jerzy, met een verbeten trek op zijn gezicht. Voor hem staat Latoya, voorover gebukt. Hij neukt haar, terwijl zij beheerst kreunt.



Jerzy kijkt mij recht in mijn ogen. Hij glimlacht en maakt zijn lippen nat met zijn tong.
Ik draai mij om en vlucht weg, terwijl hij roept: ‘Je moet dit opschrijven.’


Tekst:
Roman Helinski
Illustraties: Rob van Barneveld.
__________________
http://www.robwiltekenen.nl
Met citaat reageren
Advertentie
Oud 03-07-2005, 20:12
Verwijderd
De tekst is een beetje aangepast, niet de versie die ik eerder heb gelezen. Jammer dat het maar zo weinig tekeningen zijn.
Met citaat reageren
Oud 03-07-2005, 22:19
Reynaert
Avatar van Reynaert
Reynaert is offline
Ik vind de illustraties erbij erg leuk, het gaf mij eerst een beetje het gevoel van een kinderverhaaltje maar toen ik verder las kwam het op mij over als een luchtig, grappig verhaal. Het was erg leuk om te lezen en ik vind dat de illustraties wel degelijk wat toevoegen aan het verhaal. Goed gedaan.
Met citaat reageren
Oud 05-07-2005, 00:00
Verwijderd
Ik vind vooral de pleintekening tof. Wel grappige tekeningen, verder.

Wat het verhaal betreft - de zinnen klinken allemaal kortaf en kinderverhaal-achtig. Dat zal allicht zo bedoeld zijn, maar mij ligt het niet.
Met citaat reageren
Advertentie
Reageren

Topictools Zoek in deze topic
Zoek in deze topic:

Geavanceerd zoeken

Regels voor berichten
Je mag geen nieuwe topics starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag geen bijlagen versturen
Je mag niet je berichten bewerken

BB code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Spring naar


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 07:56.