Door gebruik te maken van Scholieren.com of door hiernaast op ‘akkoord’ te klikken, ga je akkoord met onze gebruiksvoorwaarden en geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Als je niet alle cookies wilt toestaan, ga dan naar ‘instellingen aanpassen’ om dit in te stellen. Ben je jonger dan 16 jaar? Zorg dan dat je toestemming hebt van je ouders om onze site te bezoeken. Hier lees je alles over hoe wij omgaan met je privacy.

Oud 05-09-2003, 16:26
BiL@L
BiL@L is offline
Evolutie of schepping?

Het antwoord op de vraag waar het leven vandaan komt blijkt onbegrijpelijk ingewikkeld te zijn. "Het probleem van de biologie is een éénvoudig begin te vinden", zeggen de astronomen Fred Hoyle (geb. 1915, Brits astronoom en kosmoloog. Samen met Chandra Wickramasinghe publiceerde hij de theorie dat het leven op aarde uit het heelal afkomstig is. Maar waar komt dat leven dan weer vandaan?) en Chandra Wickramasinghe. Fossiele overblijfselen van oude levensvormen, die men in de gesteenten heeft ontdekt, onthullen geen éénvoudig begin; de evolutietheorie mist dus een deugdelijk fundament. En hoe meer inlichtingen men krijgt, hoe moeilijker het wordt om uit te leggen hoe microscopische levensvormen, die zo ongelofelijk ingewikkeld zijn, door toeval konden ontstaan.

De voornaamste fasen in de ontwikkeling die tot het ontstaan van leven zou hebben geleid, zijn volgens de evolutietheorie:
  • - 1 - de aanwezigheid van de juiste primitieve atmosfeer
  • - 2 - een concentratie in de oceanen van een organische soep van éénvoudige moleculen die noodzakelijk zijn voor het leven
  • - 3 - hieruit ontstaan eiwitten en nucleotiden (ingewikkelde chemische verbindingen) die
  • - 4 - zich groeperen en een membraan krijgen en daarna
  • - 5 - een genetische code ontwikkelen en kopieën van zichzelf beginnen te maken.
Zijn deze stappen in overeenstemming met de beschikbare feiten?

- 1 - De primitieve atmosfeer.
In 1953 liet Stanley Lloyd Miller (geb. 1930, Amerikaans scheikundige.) een elektrische ontlading plaats vinden in een atmosfeer van waterstof, methaan, ammoniak en waterdamp. Hierdoor vormden zich enkele van de vele aminozuren die er bestaan en die de bouwstenen van eiwitten zijn. Hij verkreeg echter slechts 4 van de 20 noodzakelijke aminozuren, onder omstandigheden die aannemelijk mochten heten. Miller nam aan dat de primitieve atmosfeer van de aarde overeenkwam met het gasmengsel in zijn reactiekolf. Waarom? Omdat, zoals hij en een medewerker later zeiden, de synthese van biologisch interessante verbindingen alleen plaats vindt onder reducerende omstandigheden (waarbij geen vrije zuurstof in de atmosfeer aanwezig is). Toch veronderstelden andere evolutionisten dat er wel zuurstof aanwezig was. Het dilemma dat hierdoor voor de evolutie ontstaat, wordt door George Herbert Hitchings (geb. 1905, Amerikaans biochemicus en farmacoloog. Kreeg de Nobelprijs voor geneeskunde en fysiologie van 1988.) als volgt onder woorden gebracht: "Met zuurstof in de lucht zou het eerste aminozuur nooit ontstaan zijn; zonder zuurstof zou het door kosmische stralen vernietigd zijn." De kwestie is dat elke poging om de samenstelling van de primitieve atmosfeer van de aarde vast te stellen, slechts op gissingen en veronderstellingen gebaseerd kan zijn. Niemand kan met zekerheid zeggen hoe de atmosfeer samengesteld was. Hedendaagse wetenschappers vermoeden dat de primitieve atmosfeer bestond uit voornamelijk kooldioxide en stikstof, in plaats van de door Miller veronderstelde samenstelling van waterstof, methaan en ammoniak. Met de huidige kennis over de primitieve atmosfeer geeft zelfs Miller toe dat zijn experiment niet leid tot enige conclusie met betrekking tot de verklaring over het ontstaan van leven. Toch wordt dit experiment (en andere theorieën) in het onderwijs gebruikt en verkondigt als "waarheid" en "feiten"!? Niet alleen het experiment van Miller, maar alle evolutionistische pogingen slagen er niet in een antwoord te geven. Al het onderzoek dat is gedaan laat zien dat het toevallig ontstaan van het leven onmogelijk is en bevestigt dus dat het leven gecreëerd is.

- 2 - Zou zich een "organische soep" kunnen vormen?
Hoe groot is de waarschijnlijkheid dat de aminozuren (reeks koolstofverbindingen met algemene formule RCHNH2COOH, met R als een koolstofketen. Zeer belangrijk als bouwsteen van eiwitten. In de natuur komt een groot aantal voor, waarvan een twintigtal in grote hoeveelheden. Het éénvoudigste aminozuur is glycine, H2CNH2COOH.) die zich naar men denkt in de atmosfeer hebben gevormd, naar beneden zouden komen en in de oceanen een "organische soep" zouden doen ontstaan? Zeer klein. Dezelfde energie die de éénvoudige verbindingen in de atmosfeer zou doen uiteenvallen, zou elk ingewikkeld aminozuur dat zich vormde zelfs nog sneller ontbinden. Miller heeft trouwens in dat experiment waarbij hij in een "atmosfeer" een elektrische ontlading liet plaatsvinden, de vier aminozuren die hij daardoor verkreeg, slechts kunnen behouden door ze uit het gebied van de ontlading weg te halen. Had hij ze daar gelaten, dan zouden ze door de ontlading ontbonden zijn.

Indien men echter aanneemt dat aminozuren op de één of andere wijze de oceanen hebben bereikt en tegen de vernietigende ultraviolette straling in de atmosfeer werden beschermd, wat dan? Hitchings legde uit: "Onder het wateroppervlak zou er niet voldoende energie zijn om verdere chemische reacties te activeren; water remt altijd de groei van ingewikkeldere moleculen." Wanneer aminozuren zich dus éénmaal in het water bevinden, moeten ze daaruit komen, willen ze grotere moleculen vormen en evolueren richtingen eiwitten die bruikbaar zijn voor het formeren van leven. Maar zodra ze uit het water komen, bevinden ze zich weer in de vernietigende ultraviolette straling! "Met andere woorden", zegt Hitchings, "de theoretische kansen om zelfs maar door dit eerste en betrekkelijk gemakkelijke stadium (het verkrijgen van aminozuren) in de evolutie van het leven heen te komen, zijn ongelooflijk klein."

(Eiwitten/proteïnen: macromoleculen met een biolpgosche functie, opgebouwd uit aminozuren. Men onderscheidt eiwitten naar bouw en functie. Belangrijkste functies: bouwsteen van cellen, reactieversneller (enzymen), transportmiddel (via het tijdelijk binden van stoffen), antistof (vooral globuline) en handhaving van de colloïd-osmotische druk (m.n. albumine). Ieder organisme bouwt uit de aminozuren die ontstaan bij de vertering van met het voedsel opgenomen eiwitten, eigen eiwitten op. De tertiaire eiwitstructuur is voor iedere eiwit specifiek en maakt dat het functies kan vervullen die geen enkel ander eiwit kan.)

Hoewel men alom beweert dat leven spontaan in de oceanen is ontstaan, zijn watermassa's gewoon niet bevordelijk voor de noodzakelijke chemische reacties. De chemicus Richard Dickerson legt uit: "Het is derhalve moeilijk te begrijpen hoe polymerisatie (een proces waarbij kleinere moleculen zich onderling verbinden tot grotere moleculen) heeft kunnen plaatsvinden in het waterige milieu van de primitieve oceaan, aangezien de aanwezigheid van water depolymerisatie (de ontleding van grote moleculen in éénvoudigere) bevordert in plaats van polymerisatie." Biochemicus George Wald (geb. 1906, Amerikaan. Wald kreeg de Nobelprijs voor geneeskunde en fysiologie van 1967 toegekend.) is het hiermee eens en hij zegt: "Het spontaan uiteenvallen is veel waarschijnlijker en vindt dus ook veel sneller plaats, dan een spontane vorming." Dit betekent dat er geen organische soep gevormd zou worden! Wald beschouwt dit als "het lastigste probleem waar wij (evolutionisten) tegenover staan." Er is echter nog een lastig probleem waarmee de evolutietheorie wordt geconfronteerd. Er zijn meer dan 100 aminozuren, maar er zijn slechts 20 nodig voor de eiwitten in levende organismen. Bovendien komen ze in twee vormen voor: sommige moleculen zijn "rechtse" moleculen en andere "linkse". Indien ze door toeval tot bestaan zouden zijn gekomen, zoals in een theoretische 'organische soep', is het zeer waarschijnlijk dat de helft rechts en de helft links zou zijn. En er is geen reden bekend waarom één van de twee vormen in levende organismen de voorkeur genieten. Toch zijn de 20 aminozuren waaruit de eiwitten zijn opgebouwd die in levende organismen voorkomen, allemaal linkse moleculen!

- 3 - Kansberekening en de spontane vorming van eiwitten (proteïnen).
Hoe groot is de kans dat de juiste aminozuren bij elkaar komen om een eiwitmolecule te vormen? De eiwitten die nodig zijn voor leven hebben zeer ingewikkelde moleculen, bestaande uit aminozuren die zijn gerangschikt in een specifieke volgorde en in bepaalde hoeveelheden en structuren. Deze moleculen vormen de bouwstenen van een levende cel. Het simpelste eiwit bestaat uit 50 aminozuren, maar er zijn ook enkele proteïnen die zijn opgebouwd uit duizenden aminozuren. Het cruciale punt is dat de afwezigheid, toevoeging of verplaatsing van één enkel aminozuur in de structuur van een eiwit, dit eiwit totaal nutteloos maakt. Elk aminozuur moet in de juiste hoeveelheid, op de juiste plaats en de juiste volgorde aanwezig zijn.

(NB.: In onderstaande tekst worden er machten gebruikt die gewoonlijk rechtsboven geplaats worden, hier zullen we als scheidingsteken voor de macht een ^ gebruiken gevolgt door de macht. Dus 2 in het kwadraat is 2^2 (2 tot de macht 2), en 5 tot de macht 12 is 5^12.)

Het feit dat de functionele structuur van eiwitten absoluut niet per toeval kan zijn ontstaan, kunnen we aantonen door een door iedereen te begrijpen berekening. Een gemiddeld eiwitmolecuul bestaat uit 288 aminozuren die te verdelen zijn in 12 verschillende soorten aminozuren. Deze kunnen gerangschikt worden op 10^300 (10 tot de macht 300) verschillende manieren. (Dit is een astronomisch groot getal, een 1 gevolgd door 300 nullen.) Van al deze mogelijkheden vormt er slechts één mogelijkheid het gewenste eiwitmolecuul. De overige mogelijkheden vormen nutteloze aminozuurketens of zelfs potentiële schadelijke stoffen voor levende wezens. Met andere woorden, de kans op vorming van slechts één eiwitmolecuul is 1 op de 10^300. De mogelijkheid dat deze "1" ontstaat is praktisch onmogelijk. (In de wiskunde wordt een mogelijkheid kleiner dan 1 op de 10^50 gezien als "onmogelijk".) Bovendien is een eiwitmolecuul bestaande uit 288 aminozuren betrekkelijk éénvoudig vergeleken met de gigantische eiwitmoleculen bestaande uit duizenden aminozuren. Als we dan de kans gaan berekenen van het ontstaan van deze grote moleculen, zien we dat zelfs het woord "onmogelijk" onvoldoende is. Het getal 10^300 is haast niet voor te stellen. Maar om u een beetje een idee te geven; het totaal aantal elektronen (enk., stabiel elementair deeltje met een massa van 9,1 × 10^31 kg.) in het gehele universum is geschat op zo'n 10^97.

Als we dan een stap verder zetten richting het ontstaan van het leven zien we dat één proteïne op zichzelf niks betekent. Eén van de kleinste bacteriën ooit ontdekt, de Mycoplasma Hominis H39, bestaat uit 600 "typen" eiwitten. In dit geval zouden we de kans moeten berekenen voor elk van deze 600 eiwitten. Het resultaat ruïneert het begrip "onmogelijk".

Een cel bestaat niet alleen maar uit eiwitten, maar bevat ook nog nucleïnezuur (kernzuur, Macromoleculair bestanddeel van celkernen, bestaande uit een groot aantal aaneengeschakelde nucleotiden (polynucleotiden), die elk weer zijn opgebouwd uit een suiker- en een fosforzuurmolecule en een stikstofbasis. Twee grondvormen: DNA (suiker: desoxyribose) en RNA (suiker: ribose), waarvan DNA vooral in de chromosomen als drager van de erfelijke informatie voorkomt en RNA ook buiten de celkern voor het overdragen van de erfelijke informatie.), vitaminen, koolhydraten, vetten en vele andere chemische stoffen, zoals elektrolyten (Verbindingen die bij oplossen of smelten (gedeeltelijk) in ionen worden gesplitst. Hiertoe behoren vooral de zouten.).

Robert Shapiro, een professor scheikunde aan de New York Universiteit en een DNA-expert, berekende de mogelijkheid van toevallige vorming van de 2000 typen proteïnen die men gevonden had in één enkele bacterie. (Er zijn 200.000 verschillende typen eiwitten in een menselijke cel!) Het getal dat men vond was 1 op de 10^40.000. (Dit is een ongelooflijk getal, een 1 met 40.000 nullen.)

Sommige eiwitten zijn bouwstoffen en andere dienen als enzymen. Deze laatste versnellen de noodzakelijk chemische reacties in de cel. Zonder die hulp zou de cel sterven. Niet slechts een paar, maar 2000 eiwitten die als enzymen dienst doen, zijn nodig voor de activiteit van de cel. Hoe groot is de kans dat al deze eiwitten toevallig verkregen worden? Een kans van 1 op 10^40.000! "Een waanzinnige kleine waarschijnlijkheid", verzekert Hoyle, "die zich zelfs niet zou voordoen als het hele universum uit organische soep zou bestaan." Hij voegt eraan toe: "Als men behoort tot degenen die, door algemeen heersende opvattingen of wetenschappelijke opleiding bevooroordeeld, stellig menen dat het leven (spontaan) op de aarde is ontstaan, dan is dit simpele rekensommetje voldoende om die gedachte totaal van de baan te vegen."

Nog een berekening (Komt uit "Evolution Deceit" van Harun Yahya): er zijn drie basis voorwaarden voor de vorming van een nuttig eiwit;
  • Dat alle aminozuren in de eiwitketen van de juiste soort en op de juiste plaats zijn.
  • Dat alle aminozuren in de eiwitketen 'linkse' aminozuren zijn.
  • Dat al deze aminozuren verbonden zijn met elkaar door het vormen van peptide verbindingen.

Om een eiwit te vormen moeten deze drie voorwaarden tegelijkertijd aanwezig zijn. De mogelijkheid dat een eiwit per toeval ontstaat, is gelijk aan de vermenigvuldiging van de mogelijkheid van de realisatie van elk van deze voorwaarden. Bijvoorbeeld de kans dat een gemiddeld eiwit van 500 aminozuren ontstaat, is als volgt:

- 1 - De kans dat de aminozuren in de juiste volgorde zijn: er zijn 20 soorten aminozuren die gebruikt worden bij de vorming van eiwitten. De kans dat elk aminozuur correct wordt gekozen uit deze 20 soorten:

= 1:20

De kans dat al deze 500 aminozuren correct worden gekozen:

= 1:20^500 = 1:10^650
= 1 op de 10^650

- 2 - De kans dat de aminozuren 'links' zijn: ze zijn óf links, óf rechts. De kans dat slechts één aminozuur links is:

= 1:2

De kans dat alle 500 aminozuren links zijn op hetzelfde moment:

= 1:20^500 = 1:10^150
= 1 op de 10^150

- 3 - De kans dat de aminozuren worden gebonden door een peptide verbinding: aminozuren kunnen aan elkaar gebonden worden door verschillende chemische verbindingen. Maar om een bruikbaar eiwit te vormen, moeten alle aminozuren in de keten gebonden worden met een speciale chemische verbinding; de peptide verbinding. Het is berekend dat de kans dat een aminozuur wordt gebonden met een andere verbinding dan de peptide verbinding, 50% is. Volgens dit gegeven: de kans dat 2 aminozuren worden gebonden door een peptide verbinding:

= 1:2

De kans dat alle 500 aminozuren zo worden gebonden:

= 1:2^499 = 1:10^150
= 1 op de 10^150

De totale kans is dan: 1:10^650 × 1:10^150 × 1:10^150 = 1:10^950

= 1 op de 10^950

De kans dat een gemiddeld proteïnemolecuul, bestaande uit 500 aminozuren die allemaal precies in de juiste hoeveelheden én op de juiste plaats én allemaal linkse moleculen zijn én dat ze allemaal worden gebonden door een peptide verbinding is "1" op de 10^950. We kunnen dit getal schrijven door 950 nullen achter de 1 te zetten.

Om u een idee te geven; een miljoen is 1.000.000 = 10^6 en een miljard is duizend miljoen = 10^9, een biljoen is duizend miljard = 10^12 en een triljoen is miljoen maal biljoen = 10^18. Zelfs deze gigantische getallen komen niet eens in de buurt van het getal 10^950.

- 4 - De verpakking: het celmembraan.
De kansen zijn echter in werkelijkheid nog veel geringer dan deze "waanzinnig kleine" waarschijnlijkheid. Er moet een membraan zijn dat de cel omsluit. Maar dit membraan is uiterst ingewikkeld en bestaat uit eiwit-, suiker- en vetmoleculen. De evolutionist Leslie Orgel schrijft in dit verband: "De thans bestaande celmembranen bevatten kanalen en pompen die specifieke controles uitoefenen op de toevoer en afvoer van voedingsstoffen, afvalproducten, metaalionen enz. Bij deze gespecialiseerde kanalen zijn zeer specifieke eiwitten betrokken, moleculen die er bij het begin van de evolutie van het leven nog niet konden zijn." Celmembranen (plasmamembraan, plasmalemma) zijn dunne semi-permeabele (halfdoorlatende) "vliesjes" (dikte 8-10 nm), die de celinhoud (cytoplasma) omgeven. Ze bestaan uit fosfolipiden/fosfatiden (esters van glycerol met gewoonlijk twee vetzuurketens en een fosfaatgroep.) die een dubbellaag vormen en eiwitten. Het celmembraan handhaaft het verschil in samenstelling tussen celinhoud en buitenmilieu.

- 5 - De opmerkelijke genetische code.
Veel moeilijker te verkrijgen dan alles wat hierboven is genoemd, zijn de nucleotiden: RNA en DNA, die de genetische code vormen voor alle levensvormen. Bij het DNA zijn vijf histonen/histoproteïnen (Groep globulaire eiwitten. Histonen komen voor in de kernen van alle planten- en diercellen, gebonden aan het DNA. Hun functie is nog onduidelijk, maar vermoed wordt dat zij belangrijk zijn bij de overdracht van de chromosoominformatie als regulator in de RNA-synthese.) betrokken (histonen hebben naar men meent te maken met het regelen van de activiteit van de genen). De kans dat zelfs maar het éénvoudigste van deze histonen wordt gevormd, is volgens zeggen 1 op de 200^100, alweer een gigantisch getal, groter dan het totaal van alle atomen in alle sterren en sterrenstelsels die door de grootste astronomische telescopen te zien zijn.

Toch vormt de oorsprong van de volledige genetische code, een vereiste voor de reproductie van de cel, een nog grotere moeilijkheid voor de evolutietheorie. In verband met eiwitten en DNA steekt het oude vraagstuk 'de kip of het ei' de kop op. Hitchings zegt: "Eiwitten zijn voor hun vorming afhankelijk van DNA. Maar er kan geen DNA worden gevormd zonder dat er eerst eiwitten zijn." Dit levert de paradox op die Dickerson ter sprake brengt: "Wat was er het eerst, eiwitten of het DNA?" Hij beweert: "Het antwoord moet zijn dat ze zich tegelijkertijd hebben ontwikkeld." In feite zegt hij dat 'de kip' en 'het ei' tegelijkertijd geëvolueerd zijn, zonder dat de één uit de ander is voortgekomen. Vindt u dit redelijk? Een wetenschappelijk schrijver vat het als volgt samen: "De oorsprong van de genetische code vormt een enorm kip-en-ei-probleem, waarvoor men in de verste verte nog geen oplossing heeft."

Dickerson maakte ook deze interessante opmerking: "De evolutie van de genetische machinerie is de stap waarvoor geen laboratoriummodellen bestaan; men kan derhalve eindeloos speculeren, zonder door lastige feiten gehinderd te worden." Maar is het wel echt wetenschappelijk te schuiven? Leslie Orgel noemt het bestaan van de genetische code "het meest frustrerende aspect van het probleem inzake de oorsprongen van het leven." En Francis Harry Compton Crick (geb. 1916, Brits biochemicus, ontving de Nobelprijs voor geneeskunde in 1962) concludeerde dat "ondanks het feit dat de genetische code bijna universeel is, het ervoor vereiste mechanisme veel te ingewikkeld is om één klap te kunnen zijn ontstaan."

Evolutionisten bewijzen keer op keer dat ze er alles aan doen om hun gelijk te halen, zonder met werkelijke feiten te komen. Ze volgen slechts vermoedens, verzinsels en vage ideeën. De voorgaande informatie toont aan dat het leven onmogelijk per toeval tot stand is gekomen. Daarom hebben de evolutionisten een eigen theorie bedacht, die luidt: "Dat een geleidelijk proces de natuurlijke selectie in staat moet hebben gesteld haar werk stap voor stap te doen." Maar wanneer er geen genetische code is om een begin te maken met de reproductie, valt er voor de natuurlijke selectie niets te selecteren...

Cellen.

De cel, een ommuurde stad; krachtcentrales wekken energie voor de cel op, fabrieken produceren enzymen en hormonen die noodzakelijk zijn voor het leven, er zijn complexe transportsystemen en pijpleidingen die grondstoffen en andere producten transporteren van de éne plaats naar de andere, binnen en buiten de cel. Schildwachten bij de slagbomen controleren de export- en importmarkt en speuren de buitenwereld af naar tekenen van gevaar. Gedisciplineerde biologische legers staan klaar om indringers te lijf te gaan. Er zijn ontwikkelde laboratoria en raffinaderijen voor het afbreken van externe grondstoffen in bruikbare deeltjes. Een gecentraliseerd genetisch bestuur handhaaft de orde in de vorm van een soort databank waarin alle nodige informatie over alle processen en te produceren stoffen aanwezig is.

Cellen zijn de kleinste functionele éénheden van leven; ze kunnen zichzelf in stand houden, ze kunnen zichzelf vermenigvuldigen en cellen kunnen alle levensprocessen zelfstandig verrichten. Ze bestaan uit verschillende onderdelen die ieder op zich...

Wordt vervolgd.
Advertentie
Oud 08-09-2003, 13:15
BiL@L
BiL@L is offline
Cellen.

De cel, een ommuurde stad; krachtcentrales wekken energie voor de cel op, fabrieken produceren enzymen en hormonen die noodzakelijk zijn voor het leven, er zijn complexe transportsystemen en pijpleidingen die grondstoffen en andere producten transporteren van de éne plaats naar de andere, binnen en buiten de cel. Schildwachten bij de slagbomen controleren de export- en importmarkt en speuren de buitenwereld af naar tekenen van gevaar. Gedisciplineerde biologische legers staan klaar om indringers te lijf te gaan. Er zijn ontwikkelde laboratoria en raffinaderijen voor het afbreken van externe grondstoffen in bruikbare deeltjes. Een gecentraliseerd genetisch bestuur handhaaft de orde in de vorm van een soort databank waarin alle nodige informatie over alle processen en te produceren stoffen aanwezig is.

Cellen zijn de kleinste functionele éénheden van leven; ze kunnen zichzelf in stand houden, ze kunnen zichzelf vermenigvuldigen en cellen kunnen alle levensprocessen zelfstandig verrichten. Ze bestaan uit verschillende onderdelen die ieder op zich zeer ingewikkeld zijn en elk onderdeel heeft een specifieke taak. Er vinden chemische en biologische processen plaats om de cel in stand te houden. Het is niet zomaar een beetje eiwit bij elkaar, het is zeer complex. Deze complexe structuur van een levende cel was nog niet bekend in de tijd van Darwin, die het ontstaan van leven toeschrijft aan toevalligheden. De technologie van de 20e eeuw is doorgedrongen tot in de kleinste deeltjes van het leven en heeft onthuld dat de cel het meest complexe is dat de mensheid ooit onder ogen heeft gehad. De evolutietheorie beweert dat dit systeem per toeval is ontstaan.

Het celmembraan.
Hierboven hebben we al gezien hoe complex het celmembraan is. We willen nog even bij de complexiteit van het celmembraan stilstaan, omdat het niet zomaar een 'vliesje' is dat de cel omsluit, maar het voert specifieke controles uit op de toevoer en afvoer van voedingsstoffen, afvalstoffen, metaalionen enz.

Eencellige organismen.
Laten we eens naar de kleinste levensvormen kijken: ééncellige organismen. Een bioloog merkte op dat ééncellige dieren in staat zijn "voedsel te vangen, het te verteren, afvalstoffen weg te werken, zich te verplaatsen, huizen te bouwen, zich met seksuele activiteiten bezig te houden", en dat ze "zonder weefsels, zonder organen, zonder hart en zonder verstand werkelijk alles hebben wat wij bezitten."

Eencellige planten en dieren zijn er in diverse soorten, zoals bacteriën, diatomeeën, blauwwieren, algen en andere ééncellige organismen (b.v. sporendiertjes, wortelpotigen etc.).

Bacteriën.
Dit is een veelvormige groep van microscopisch kleine organismen, ééncellig en zonder duidelijk afgegrensde kern. De celwand bestaat van binnen naar buiten uit een cytoplasmamembraan, een steunlaag en een kapsel van slijm. Eén of meer zweepharen zorgen voor beweeglijkheid. De indeling van bacteriën op systematische kenmerken is erg ingewikkeld en op veel punten nog steeds onduidelijk. De vermeerdering van bacteriën verloopt via celdeling. Daarbij vormt zich een dikke scheidingswand die het celmateriaal in tweeën deelt. Daarna valt de oorspronkelijke cel in twee dochtercellen uiteen. Het erfelijke materiaal bevindt zich vaak in ringvormige DNA-moleculen, plasmiden genaamd.

Diatomeeën.
Eencellige organismen, halen silicium en zuurstof uit zeewater en maken glas, waarmee ze kleine 'pillendoosjes' bouwen die hun groene chlorofyl bevatten. Ze worden door een geleerde om zowel hun belangrijkheid als hun schoonheid geprezen: "Deze groene blaadjes, opgesloten in juwelendoosjes, zijn de weidegronden die 90% van het voedsel leveren voor alles wat in de zee leeft." De voedingswaarde van diatomeeën is voor een groot deel gelegen in de olie die ze maken en die olie helpt ze tevens om net onder het wateroppervlak te dobberen, waar ze hun chlorofyl in het zonlicht kunnen koesteren.

Algen (wieren).
Lagere planten die voorkomen in de zee, in zoet water en op vochtige plaatsen op het land. Dankzij de aanwezigheid van chlorofyl of andere fotosynthetische actieve pigmenten in de cellen, zijn de meeste soorten in staat tot fotosynthese. Met name de ééncellige soorten die deel uitmaken van het plantaardige plankton zijn essentieel voor de zuurstofproductie op aarde. Blauwwieren bijvoorbeeld, zijn ééncellige organismen die veel verwantschap met bacteriën vertonen en die zich in 2 miljard jaar vrijwel niet hebben ontwikkeld. Enkele andere ééncellige organismen zijn: trilhaardiertjes, zweephaardiertjes en protozoën.

De dierlijke cel.
Diverse elementen zijn verpakt in een omhulsel van slechts 0,0025 cm middellijn. De complexiteit laat een meesterlijk ontwerp zien, onmogelijk om aan toeval toe te schrijven. 1. Nucleus, kern. 2. Nucleolus: de plaats waar ribosomen worden gevormd. 3. RER: ruwe endoplasmatisch reticulum. 4. SER: gladde e.r. 5. Golgi-apparaat: een groep afgeplatte membraanzakjes die door de cel geproduceerde eiwitten verpakken en distribueren. 6. Transportblaasje. 7. Secreetblaasje. 8. Lysosoom: intracellulaire verteringsprocessen. 9. Mitochondrium: productiecentra van ATP, de moleculen die als energiebron voor de cel fungeren. 10. Polysoom: groep ribosomen met één mRNA molecuul. 11. Insluitsel. 12. Centriolen: deze lijn in de buurt van de kern gelegen en zijn belangrijk bij de celdeling. 13. Microtubili (fibrillen): holle draden die een onderdeel vormen van het celskelet. 14. Microfilamenten (fibrillen): draadachtige structuur, spelen een rol bij bewegingsprocessen van de cel als geheel of onderdelen van de cel. 15. Cytosol: hierin vinden vele stofwisselingsprocessen plaats. 16. Desmosoom: schijfvormige structuren aan weerszijden van de celmembranen die de verbinding vormen tussen twee naburige cellen in o.a. dierlijk epitheelweefsel. 17. Celmembraan: het omhulsel dat controleert wat de cel in- en uitgaat. 18. Intercellulaire ruimte (intercellulaire holten). 19. Microvilli: uitsteeksels van het celmembraan die vaak voorkomen waar cellen grenzen aan een vrije ruimte als bijvoorbeeld het darmkanaal. Veelal staan de Microvilli heel dicht op elkaar en zijn ze van dezelfde grootte. Ze zorgen voor een enorme oppervlaktevergroting van cellen die stoffen afscheiden of opnemen. - Endoplasmatisch Reticulum (Membranensysteem dat zorgt voor opslag of transport van eiwitten, geproduceerd door erlangs gerangschikte ribosomen (sommige ribosomen bewegen vrij door de cel)). - Ribosomen (Structuurtjes die aminozuren tot eiwitten aaneenrijgen, eiwitsynthese). - Kern (Omgeven door een omhulsel dat uit een dubbel membraan bestaat. De kern is het controlecentrum dat de activiteiten van de cel regelt). - Chromosomen (Deze bevatten het DNA van de cel, de genetische blauwdruk). Zijn uw 100.000.000.000.000 zeer complexe cellen door toeval ontstaan? Bent u toeval?

De plantaardige cel.
In plantencellen bevinden zich vaak plastiden. Deze hebben verschillende functies, die afhankelijk zijn van de plaats die de cel in de plant inneemt. Er zijn drie soorten plastiden:
  • leukoplasten: pigmentloze plastide, die voor komt in alle kleurloze delen van planten; zet de tijdens de fotosynthese gevormde suikers om in eiwit, vet en zetmeel en slaat die op.
  • chloroplasten (bladgroenkorrels: deze bevatten bladgroen. Ze worden gevormd uit leukoplasten. Bladgroenkorrels kunnen uit water en koolstofdioxide onder invloed van zonlicht glucose (suiker) maken = fotosynthese.
  • chromoplasten: deze geven aan veel bloemen en vruchten hun gele, oranje of rode kleur (zoals de paardebloem, wortels, sinaasappelschil).

<center>De verbazingwekkende fotosynthese.</center>

Nu doemt er nog een hindernis voor de evolutietheorie op. Op een bepaald moment in het verloop van de evolutie moest de primitieve cel iets uitvinden, namelijk de fotosynthese. Groene bladeren gebruiken energie van de zon, koolzuurgas uit de lucht en water uit de grond om suikers te maken, waarbij ze zuurstof afgeven. Fotosynthese vindt plaats in cellichaampjes die chloroplasten heten, die zo klein zijn dat er 400.000 in de punt aan het eind van deze zin kunnen. Dit proces, waarbij kooldioxide wordt omgezet in organische stof (suikers) onder invloed van licht en met afgifte van zuurstof, wordt door geleerden nog niet volledig begrepen. "Bij fotosynthese zijn ongeveer zeventig afzonderlijke chemische reacties betrokken", zei een bioloog. "Het is werkelijk een wonderbaarlijk proces." De fotosynthese is de essentiële schakel voor bijna alle leven op aarde en kan beschouwd worden als het ten nutte maken van zonne-energie voor levensprocessen. Dieren betrekken hun energie indirect uit de fotosynthese door het eten van planten.

Toch meent men dat een kleine éénvoudige cel er bij toeval een begin mee heeft gemaakt. Dit proces van de fotosynthese veranderde een atmosfeer die geen vrije zuurstof bevatte, in een atmosfeer waarin één op de vijf moleculen een zuurstofmolecule is. Als gevolg daarvan konden dieren zuurstof inademen en leven, en kon er zich een ozonlaag vormen om alle leven tegen de schadelijke uitwerking van ultraviolette straling, afkomstig van de zon, te beschermen. Zou dit opmerkelijke proces aan puur toeval toegeschreven kunnen worden? Is het zomaar door toeval ontstaan? Vindt u dat echt geloofwaardig? Of is er intelligentie bij betrokken?

Sommige evolutionisten voelen zich gedwongen terug te krabbelen wanneer zij worden geconfronteerd met de gigantische onwaarschijnlijkheid dat een levende cel door toeval ontstaat. Zo complex, zo ontzettend veel van elkaar afhankelijke processen...
Zonder het één, kan het ander niet functioneren. Het moet dus tegelijkertijd, in één moment zijn ontstaan. Dit bewijst de Schepping van onze Schepper, Glorieus en Verheven is Hij.

Als we ergens een steen vinden met de vorm zoals de steen van de foto, zal er geen twijfel bestaan over het feit dat deze steen een ontwerper heeft. Iemand heeft deze steen zo bewerkt, dat het de vorm heeft zoals op de foto. [hier en op verscheidene plaatsen hierboven en hieronder horen afbeeldingen bij, voor de mensen die interesse hebben naar dit (nieuwe) boek moeten me maar pm-en] Het is ongelooflijk dat er toch nog zoveel mensen zijn die geloven dat het leven, wat absoluut niet te vergelijken is met die steen, dat het leven wel per toeval is ontstaan.

De evolutietheorie beweert dat soorten continu evolueren in andere soorten. Maar wanneer we levende wezens vergelijken met hun fossielen, zien we dat ze onveranderd zijn gebleven door de miljoenen jaren heen. Dit feit is een duidelijk bewijs tegen de onware beweringen van evolutionisten.

De levende honingbij is niet anders dan zijn fossiele familielid, welke vermoedelijk miljoenen jaren oud is.

Het 135 miljoen jaar oude fossiel van een libelle is niet anders dan de hedendaagse tegenhanger.

Het fossiel van de zeester dat zo'n 400 miljoen jaar oud is, geeft aan dat de zeester door de tijd heen helemaal niet veranderd is.

<center>De kloof</center>

Fossielen: bewijsstukken tegen de evolutietheorie.
Het leven in al zijn verschijningsvormen is niet één enkele rij, door ononderbroken reeksen tussenvormen verbonden. Het fossielenverslag laat verschillende vormen zien en niet een geleidelijke verandering van het éne organismen naar het andere. Als de evolutietheorie waar zou zijn, dan zou het wel zo moeten zijn. Er zouden bijvoorbeeld vinnen van vissen moeten zijn, die langzaam veranderden in poten, met voeten en tenen, en kieuwen zouden moeten veranderen in longen. Er zouden fossielen moeten zijn van reptielen met half poten, half vleugels en met half schubben, half veren. Maar die zijn er niet!

Na vele jaren van fossielenonderzoek, zijn er nog steeds geen overgangsschakels gevonden tussen de éne belangrijke levensvorm en de andere. Er is nu zoveel aan fossiel materiaal, dat het ontbreken van overgangsreeksen niet toegeschreven kan worden aan schaarste van fossiel materiaal. De gaten zijn echt, ze zullen nooit worden opgevuld. Fossielen tonen aan dat er steeds weer nieuwe dier- en plantsoorten plotseling verschijnen, zonder verband te houden met iets wat ervóór bestond. Insecten zijn ook plotseling en massaal in het fossielenverslag verschenen, zonder evolutionaire voorouders. Tot in deze tijd zijn ze niet eens zo veel veranderd. Na een vondst van een vlieg van zo'n 40 miljoen jaar oud, bleken de vleugels, poten en de kop, en zelfs de cellen binnenin, vrij 'hedendaags' te zijn. Planten vertonen eenzelfde beeld. In de gesteenten zijn fossielen gevonden van bladeren, die weinig verschil vertonen met de hedendaagse soorten, zoals de eik, de walnoot, de druif, de varen, de palm en vele andere soorten. Ook diersoorten volgen hetzelfde patroon. De voorouders van de hedendaagse diersoorten, zijn plotseling in het fossielenverslag verschenen en lijken erg veel op hun nu levende tegenhangers. Waar zijn de tussenstappen???

De wervelkolom van een vis verschilt veel van die van een kikker. Geen enkel fossiel van een vis laat zien hoe het bekken van amfibieën zich heeft ontwikkeld. Het was ineens daar.

Aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. Hij schept wat Hij wil... [42:49]

Is er een fossiel van een giraffe met een nek met een lengte van twee derde, of drie vierde van de huidige neklengte? Zijn er fossielen van vogels met een snavel die zich uit een reptielenbek aan het evolueren is? Wanneer wij het fossielenverslag laten spreken, wijst de getuigenis ervan niet in de richting van evolutie. Het wijst veeleer in de richting van Schepping. De fundamentele feiten van het fossielenverslag ondersteunen Schepping en niet de evolutie.

De evolutietheorie zegt dat uit vissen amfibieën geëvolueerd zijn. Sommige amfibieën werden reptielen, uit reptielen ontstonden zowel zoogdieren als vogels. Uiteindelijk zijn enkele zoogdieren tot mensen geëvolueerd. Het fossielenverslag ondersteunt deze bewering niet.

De kloof tussen vissen en amfibieën.
Er is een zeer grote kloof tussen vissen en amfibieën. Het was de wervelkolom die de vissen onderscheidde van de ongewervelden. Deze wervelkolom zou belangrijke veranderingen moeten ondergaan om de wervelkolom van een amfibie te worden, van een dier dat zowel in het water als op het land kan leven. Er moest een bekken aan worden toegevoegd, maar er zijn geen fossielen van vissen bekend, waaraan te zien is hoe het bekken van amfibieën zich heeft ontwikkeld. In het geval van sommige amfibieën, zoals kikkers en padden, moest de gehele wervelkolom onherkenbaar veranderen. Ook de schedelbeenderen verschillen. Bovendien vereist de evolutie dat bij de vorming van amfibieën de vinnen van de vis zouden veranderen in ledematen met gewrichten en tenen, met in samenhang daarmee grote veranderingen in spieren en zenuwen. Kieuwen moesten veranderen in longen. Bij vissen wordt het bloed door een hart met twee kamers rondgepompt, maar bij amfibieën door een hart met drie kamers. Om de kloof tussen vissen en amfibieën te overbruggen, moest het gehoor een radicale verandering ondergaan. Over het algemeen vangen vissen geluid op via hun lichaam, maar de meeste padden en kikkers hebben een trommelvlies. De tong moest ook veranderen. Geen enkele vis heeft een uitsteekbare tong, maar amfibieën zoals de pad hebben die wel. Amfibieën kunnen bovendien met hun ogen knipperen, aangezien ze een vlies bezitten dat ze over hun ogen kunnen laten glijden om ze schoon te houden. Vissen kunnen dit niet.

De kloof tussen amfibieën en reptielen.
Pogingen om de kloof tussen amfibieën en reptielen te overbruggen, leveren weer andere ernstige problemen op. Eén van de grootste moeilijkheden is de oorsprong van het ei met een harde schaal. Dieren die er vóór de reptielen waren, legden hun zachte, geleiachtige eieren in het water, waar ze uitwendig werden bevrucht, zoals kikkerdril. Reptielen leven op het land en leggen hun eieren op het land, maar het zich ontwikkelende embryo in het ei moet zich toch in een waterig milieu bevinden. Het ei met de harde schaal was het antwoord. Maar het vereiste tevens een grote verandering in het bevruchtingsproces: het vroeg om inwendige bevruchting, voordat het ei door een harde schaal wordt omgeven. Om dit te bewerkstelligen waren nieuwe geslachtsorganen nodig, een nieuw paringsgedrag en nieuwe instincten en dit alles vormt een reusachtige kloof tussen amfibieën en reptielen.

Dat het ei door een schaal werd omgeven, vroeg om verdere opmerkelijke veranderingen. Deze moesten het mogelijk maken dat zich daarbinnen een reptiel zou kunnen ontwikkelen en dat het dier zich uiteindelijk uit de schaal zou kunnen bevrijden. Er zijn bijvoorbeeld binnen de schaal verschillende membranen en zakken nodig, zoals het amnion. Dit bevat de vloeistof waarin het embryo groeit. Een ander membraan wordt het allantoïs genoemd: opgevangen en opgeslagen; het doet dus dienst als een soort blaas. Het bevat ook bloedvaten die zuurstof opnemen welke via de schaal binnenkomt en die deze zuurstof naar het embryo leiden.

Ook andere hierbij betrokken ingewikkelde verschillen zijn niet door de evolutietheorie verklaard. Embryo's in de zachte eieren van vissen en amfibieën lozen hun afvalstoffen in de vorm van oplosbaar ureum in het omringende water. Maar ureum binnen de eieren (met een harde schaal) van reptielen zou dodelijk zijn voor het embryo. In het ei met een harde schaal is dus een belangrijke chemische verandering tot stand gebracht: afvalstoffen, onoplosbaar urinezuur, worden in het allantoïs opgeslagen.

Bedenk ook dit eens: de eidooier bestaat uit voedsel voor het groeiende reptielembryo, waardoor het zich volledig kan ontwikkelen voordat het uit de schaal kruipt - dit in tegenstelling tot amfibieën, die niet in de volwassen vorm uit een ei komen. En om uit de schaal te komen heeft het embryo als onderscheidend kenmerk een ei-tand, waarmee het zich uit zijn 'gevang' bevrijdt.

Er is nog veel meer nodig om de kloof tussen amfibieën en reptielen te overbruggen, maar de hier genoemde voorbeelden tonen al aan dat de vele ingewikkelde veranderingen die daartoe verreist zijn, éénvoudig niet aan toeval toegeschreven kunnen worden. Geen wonder dat de evolutionist Archie Carr klaagde: "Eén van de frustrerende kenmerken van het fossielenverslag van de geschiedenis der gewervelden, is dat het zo weinig laat van de evolutie van reptielen in hun vroegste dagen, toen het ei met een harde schaal zich ontwikkelde."

De kloof tussen reptielen en vogels.
Reptielen zijn koudbloedige dieren, hetgeen betekent dat hun lichaamstemperatuur op en neer gaat met de temperatuur van hun omgeving. Vogels zijn daarentegen warmbloedig; hun lichaam behoudt een betrekkelijk constante inwendige temperatuur, ongeacht de omgevingstemperatuur. Om het raadsel op te lossen hoe warmbloedige vogels uit koudbloedige reptielen zijn ontstaan, zeggen sommige evolutionisten nu dat enkele dinosauriërs (die tot de reptielen behoorden) warmbloedig waren. Maar de algemene zienswijze is nog steeds zoals Robert Jastrow opmerkt: "Dinosauriërs waren, net als reptielen, koudbloedige dieren." Lecomte du Nouy, de Franse evolutionist, zei met betrekking tot het denkbeeld dat warmbloedige vogels uit koudbloedige reptielen zijn ontstaan: "Dit is nog steeds één van de grootste raadsels der evolutie." Hij gaf ook toe dat vogels "alle onbevredigende kenmerken van absolute schepping" bezitten - onbevredigend, wel te verstaan, voor de evolutietheorie. Wij moslims weten wel beter en wij snappen de situatie.

Hoewel het waar is dat zowel reptielen als vogels eieren leggen, moeten alleen vogels hun eieren uitbroedden. Ze zijn erop gebouwd. Vele vogels hebben een broedvlek op hun borst - een plek waar geen veren groeien en waar zich een netwerk van bloedvaten bevindt om warmte voor de eieren te leveren. Sommige vogels hebben geen broedvlek, maar plukken de veren uit hun borst. Dat vogels hun eieren uitbroeden, vereiste ook dat de evolutie hen van nieuwe instincten zou voorzien - voor het bouwen van het nest, voor het uitbroeden van de eieren en voor het voeden van de jongen - zeer onzelfzuchtige en zorgzame gedragingen waarbij bekwaamheid, hard werk en vrijwillige blootstelling aan gevaar betrokken zijn. Dit alles vormt een reusachtige kloof tussen reptielen en vogels. Maar er is nog veel meer.

Veren zijn een uniek kenmerk van vogels. Evolutionisten veronderstellen dat deze verbazingwekkende structuren gewoon toevallig uit de schubben van het reptiel zijn voortgekomen. Aan weerszijden van de veerschacht bevinden zich rijen baarden. Elke baard bezit vele baardjes en elk baardje heeft honderden haakjes. Uit een microscopisch onderzoek van een duivenveer, kwam naar voren dat ze "ettelijke honderdduizenden baardjes en miljoenen haakjes" had. Deze haakjes houden alle delen van de veer bijeen om een glad oppervlak of een gladde "vlag" te krijgen. Niets overtreft de veer als draagvlak in de lucht en als isolatiemateriaal wordt ze door slechts weinig substanties geëvenaard.

Wanneer de baarden van deze veren van elkaar zijn losgeraakt, worden ze met de snavel gekamd. De snavel oefent druk uit terwijl de baarden er doorheen gaan en de haakjes aan de baardjes grijpen weer in elkaar als de klauwtjes van een ritssluiting. De meeste vogels hebben aan de basis van de staart een vetklier waaruit ze vet halen om elke veer te verzorgen. Sommige vogels hebben geen vetklier, maar in plaats daarvan hebben ze speciale veren die aan de toppen gaan rafelen, zodat ze een fijn, talkachtig poeder produceren om hun veren in goede staat te houden. En het verenkleed wordt gewoonlijk eens per jaar vernieuwd door de rui.

Beschouw, met deze kennis omtrent de veer, nu eens de volgende nogal verbazingwekkende poging om de ontwikkeling ervan te verklaren: "Hoe is dit structurele wonder geëvolueerd? Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om een veer als een gewijzigde schub te zien, een lange schub die losjes was bevestigd en waarvan de uiteinden gingen rafelen en zich uitspreidden, totdat ze evolueerde tot de zeer complexe structuur die ze thans is." Maar bent u van mening dat zo'n verklaring echt wetenschappelijk is? Of lijkt het meer op sciencefiction?

Overdenk verder eens hoe de vogel gebouwd is om te vliegen. De beenderen van de vogel zijn dun en hol, in tegenstelling tot de massieve beenderen van het reptiel. Toch is er kracht nodig om te vliegen en dus bevinden zich binnen in de beenderen van de vogel stutten, gelijkend op de spanten binnen in een vliegtuigvleugel. Dit ontwerp van de beenderen dient nog een doel: het helpt nog een exclusief wonder van vogels te verklaren - hun ademhalingsstelsel.

De gespierde vleugels waarmee de vogel uren of zelfs dagen achtereen kan vliegen, produceren veel warmte. Maar zonder zweetklieren die voor afkoeling zouden kunnen zorgen, kan de vogel dit probleem toch oplossen - hij heeft een luchtgekoelde "motor". Een stelsel van luchtzakjes reikt tot in bijna elk belangrijk deel van het lichaam, zelfs tot in de holle beenderen, en door deze inwendige luchtcirculatie wordt lichaamswarmte afgestaan. Dankzij deze luchtzakjes onttrekken vogels tevens op een veel efficiëntere manier dan enig ander gewerveld dier zuurstof aan de lucht. Hoe gaat dit in zijn werk?

Bij reptielen en zoogdieren nemen de longen lucht op en staan die weer af, net als blaasbalgen die zich afwisselend vullen en legen. Maar bij vogels gaat er een voortdurende stroom verse lucht door de longen, zowel tijdens het inademen als tijdens het uitademen. Eenvoudig gezegd werkt het stelsel als volgt: wanneer de vogel inademt, gaat de lucht naar bepaalde luchtzakjes; deze dienen als blaasbalg om de lucht in de longen te blazen. Vanuit de longen gaat de lucht naar andere luchtzakjes en verlaat vervolgens het lichaam. Dit betekent dat er voortdurend een stroom verse lucht in één richting door de longen gaat, zoals water dat door een spons vloeit. Het bloed in de haarvaten van de longen stroomt echter in tegengestelde richting. Deze tegenstroom van de lucht ten opzichte van het bloed maakt het ademhalingsstelsel van de vogel zeer buitengewoon. Dankzij dit stelsel kunnen vogels ademhalen in de ijle lucht op grote hoogten, wanneer ze tijdens hun trek van duizenden kilometers, dagen achtereen op zo'n 6000 meter hoogte vliegen.

Er zijn nog meer kenmerken die de kloof tussen vogels en reptielen verbreden. Eén daarvan is het gezichtsvermogen. De arend heeft ogen die als een telescoop werken, terwijl anderzijds het woudzangertje ogen heeft die als een vergrootglas werken. Vogels hebben meer lichtgevoelige cellen in hun ogen dan enig ander levend wezen. Ook de poten van vogels zijn anders. Wanneer vogels op een tak gaan zitten om te rusten of slapen, sluiten hun tenen door middel van pezen automatisch rond de tak. En ze hebben slechts vier tenen in plaats van de vijf die reptielen bezitten. Bovendien hebben ze geen stembanden, maar een syrinx waaruit melodieuze klanken, zoals die van de nachtegaal of de spotvogel, voortkomen. Bedenk ook dat reptielen een hart met drie kamers hebben; het hart van een vogel heeft vier kamers. Ook de snavel onderscheidt de vogels van de reptielen: snavels die als notenkraker dienst doen, snavels die voedsel uit modderig water filtreren (b.v. de flamingo), snavels die gaten in bomen hameren (b.v. de specht), de snavel van de kruisbek, waarmee hij dennenappels openbreekt - het lijkt een eindeloze verscheidenheid. En toch zegt men dat de snavel, die van zo'n gespecialiseerd ontwerp getuigt, bij toeval is geëvolueerd uit de neus van een reptiel! Vindt u dat een geloofwaardige uitleg?

Eens geloofden evolutionisten dat Archaeopteryx, wat "oude vleugel" of "oude vogel" betekent, de schakel was tussen reptielen en vogels. Maar nu zijn velen niet meer die mening toegedaan. De fossiele overblijfselen van dit dier onthullen dat het volmaakt gevormde veren had aan aërodynamische vleugels waarmee het kon vliegen. De beenderen van zijn vleugels en poten waren dun en hol. Zijn verondersteld reptielachtige kenmerken worden ook thans bij vogels aangetroffen. En hij was geen voorganger van de vogel, want in gesteenten uit dezelfde periode als die van Archaeopteryx zijn ook fossielen van andere vogels gevonden.
Oud 08-09-2003, 13:16
BiL@L
BiL@L is offline
De kloof tussen reptielen en zoogdieren.
Grote verschillen veroorzaken een brede kloof tussen reptielen en zoogdieren. Alleen al de naam "zoogdier" wijst op een groot verschil: de aanwezigheid van klieren die melk produceren voor het zogen van de jongen, die levend worden geboren.

Theodosius Dobzhansky suggereerde dat deze melkklieren "wellicht veranderde zweetklieren zijn". Maar reptielen hebben zelfs geen zweetklieren. Bovendien staan zweetklieren afvalproducten af, geen voedsel. En in tegenstelling tot reptielbaby's hebben de jongen van zoogdieren zowel het instinct als de spieren om melk bij bun moeder te drinken. Zoogdieren bezitten nog andere kenmerken die niet bij reptielen worden aangetroffen. Zoogdiermoeders hebben een zeer ingewikkelde placenta voor de voeding en ontwikkeling van hun ongeboren jong. Reptielen niet. Reptielen bezitten geen middenrif, dat de borstholte van de buikholte scheidt, maar zoogdieren wel. Het orgaan van Corti in de oren van zoogdieren vindt men niet in de oren van reptielen. Dit kleine ingewikkelde orgaan heeft 20.000 haarcellen en 30.000 zenuwuiteinden. Zoogdieren hebben een constante lichaamstemperatuur, reptielen niet. Zoogdieren hebben ook drie beenderen in hun oren, terwijl reptielen er slechts één hebben. Waar zijn die twee "extra" beenderen vandaan gekomen? De evolutietheorie tracht het als volgt uit te leggen: reptielen hebben op zijn minst vier beenderen in de onderkaak, terwijl zoogdieren er slechts één hebben; toen reptielen zoogdieren werden, moet er dus een verschuiving van beenderen hebben plaatsgevonden; enkele beenderen uit de onderkaak van het reptiel verhuisden naar het middenoor van het zoogdier, zodat daar nu drie beenderen waren en in dit proces bleef er slechts één voor de onderkaak van het zoogdier over. Het probleem van deze redenatie is echter dat er helemaal geen fossiel bewijsmateriaal is om dit te ondersteunen. Het is veeleer een hoopvolle gissing met veel fantasie!

Nog een probleem in verband met beenderen: de poten van reptielen zitten zijdelings aan het lichaam vast, zodat de buik zich op of dicht bij de grond bevindt. Maar bij zoogdieren bevinden de poten zich onder het lichaam en heffen het van de grond op. Dobzhansky zei over dit verschil: "Voor deze verandering, hoe gering ze ook mag lijken, zijn uitgebreide wijzigingen van skelet en spierstelsel noodzakelijk geweest." Vervolgens erkend hij nog een groot verschil tussen reptielen en zoogdieren: "Zoogdieren hebben hun tanden veel verder ontwikkeld. In plaats van de éénvoudige spitse tanden van het reptiel, bestaat er bij zoogdieren een grote verscheidenheid aan tanden en kiezen, die geschikt zijn voor het afbijten, vastgrijpen, doorboren, afsnijden, vermorzelen of vermalen van voedsel."

Een laatste punt: bij de veronderstelde evolutie van amfibie tot reptiel hebben wij opgemerkt dat de afgescheiden afvalproducten waren veranderd van ureum in urinezuur. Maar toen reptielen zoogdieren werden, gebeurde het tegenovergestelde. Zoogdieren keerden terug tot de manier waarop amfibieën hun afvalstoffen afscheiden, namelijk als ureum. De evolutie ging dus in feite terug - iets wat ze volgens de theorie niet behoort te doen!

De allergrootste kloof.

Fysiek gezien, voldoet de mens aan de algemene definitie van een zoogdier. Een evolutionist zei echter: "Men zou geen tragischer vergissing kunnen begaan dan de mens als 'louter een dier' te beschouwen. De mens is uniek; vele kenmerken zoals spraak, traditie, cultuur en een buitengewoon lange periode van groei en ouderlijke zorg." Recent onderzoek onthulde dat het onmogelijk is voor een gebogen aap skelet, geschikt voor beweging van een viervoeter, te ontwikkelen in een menselijk rechtop staand skelet, dat geschikt is voor de beweging van een twee benige.

Elaine Morgan (Oxford University Press, 1994, pag.5.), een evolutionistische paleoanthropologiste, gaf het volgende toe: "Vier van de meest opmerkelijke mysteries omtrent de mens zijn: 1) Waarom lopen zij op twee benen? 2) Waarom hebben zij hun vacht (haren) verloren? 3) Waarom hebben zij zo'n grote hersenen ontwikkeld? 4) Waarom leerden zij spreken? De orthodoxe antwoorden op deze vragen waren: 1) We weten het nog niet. 2) We weten het nog niet. 3) We weten het nog niet. 4) We weten het nog niet. De lijst met vragen kan aanzienlijk verlengd worden zonder invloed te hebben op de ééntonigheid van de antwoorden."

Wat de mens van alle andere levende wezens op aarde onderscheidt, zijn de hersenen. De informatie die in de ongeveer 100 miljard neuronen van de menselijke hersenen is opgeslagen, zou zo'n 20 miljoen boekdelen kunnen vullen! Abstract denken en spraak onderscheiden de mens van elk dier en het vermogen om zijn toenemende kennis op te tekenen, is één van de opmerkelijkste kenmerken van de mens. Het gebruik van deze kennis heeft men in staat gesteld alle andere levende wezens op aarde te overtreffen - zelfs een reis naar de maan te maken. Het is werkelijk waar wat een geleerde zei, namelijk dat de hersenen van de mens "anders en oneindig veel ingewikkelder zijn, dan al het andere wat zich in de bekende universum bevindt."

Ook het gezicht van de mens is opmerkelijk. Het bevat vele spieren die ervoor zorgen dat we vele verschillende gezichtsuitdrukkingen kunnen maken. Er is geen enkel dier dat ook maar in de buurt komt van de gezichtselasticiteit van de mens. Een kenmerk dat de kloof tussen mens en dier tot de allerhoogste maakt, is het feit dat de mens morele en geestelijke waarden kent, die voortspruiten uit eigenschappen zoals liefde, gerechtigheid, wijsheid, macht en barmhartigheid.

Waarom bestaan de "inferieure" mensapen nog steeds, maar is er geen enkele "superieure aapmens" meer? (Waar zijn de tussenstappen/-vormen???)

Er zijn slechts zeer weinig beenderen gevonden die zouden zijn van 'mensapen'. Deze beenderen zouden passen op een biljarttafel. Er zijn geen bewijzen van een biologische verandering in hersenomvang of hersenstructuur sinds homo sapiens zo'n vijftigduizend jaar geleden in het fossielenverslag verscheen. Het eerste fossiel van Ramapithecus dat gevonden is: een stuk kaak samengesteld uit twee stukken (zie rechts). De evolutionisten beelden brutaal Ramapithecus af, zijn familie en omgeving waar zij in leefden, door te vertrouwen op deze twee kaakbeenderen.

Tekeningen van 'aapmensen' zijn gebaseerd op verbeelding, fictie en verzinsels. Uit een zeer kleine fractie, vaak niet meer dan een kaak of een ander stuk bot, wordt er een compleet wezen 'gecreëerd', of beter gezegd, verzonnen. Ook gebeurt het regelmatig dat wetenschappers botten van verschillende dieren combineren. Dit als wanhoopspoging om te bewijzen dat de mens afstamt van de aap. Tot nu toe bleken alle claims op het "bewijs" vals te zijn.

Er bestaan derhalve enorme verschillen tussen de hoofdafdelingen van het leven. Ze worden van elkaar gescheiden door vele nieuwe structuren, geprogrammeerde instincten en eigenschappen. Is het redelijk te denken dat deze verschillen door ongeleide toevallige gebeurtenissen ontstaan kunnen zijn? Zoals wij hebben gezien, wordt die opvatting niet door fossiele bewijzen ondersteund. Tussenvormen ontbreken in het fossielenverslag. Wij begrijpen nu waarom: omdat er geen tussenvormen waren. Voor degenen die hun ogen en oren niet hebben toegesloten, zegt het fossielenverslag: "Schepping."

Het is God die schept wat Hij wil. Allah zegt ons in de Qor-aan: Voorwaar, wanneer Hij iets wil (scheppen), dan zegt Hij er slechts tegen: 'Wees', en het is. [36:82]

Hoe kunnen jullie niet in Allah geloven, terwijl jullie levenloos waren en Hij jullie toen tot leven bracht; waarop Hij jullie deed sterven, daarna doet Hij jullie herleven, en tenslotte zullen jullie tot Hem terugkeren. [2:28]


<center>Wonderen in ons lichaam.</center>

Wij zullen hen onze Tekenen laten zien, aan de horizonten en in jullie zelf... [42:53]

Stelt u zich eens voor, dat u een grote stad bouwt van miljoenen legoblokjes. In deze stad bouwt u wolkenkrabbers, kronkelende wegen, treinstations, vliegvelden, winkelcomplexen, een metro en ook rivieren, meren bossen en een strand. U laat er ook duizenden mensen leven, wandelend in de straten, zittend in hun huizen en werkend in hun kantoren. Geef aandacht aan elk detail. Zelfs aan de verkeerslichten, brievenbussen en de borden op het busstation.

Al deze legoblokjes van deze stad, heeft u met grote zorg geplaatst, tot in het kleinste detail en elk blokje heeft u met pijn en moeite zo gerangschikt, dat er een mooie levensechte stad is ontstaan. Als er iemand naar u toe zou komen en zou zeggen dat al deze legoblokjes van deze stad, per toeval samen zijn gekomen en zo de stad hebben gevormd, wat zou u dan denken van de geestelijke toestand van deze persoon?

Nu, ga eens terug naar de stad die u hebt gebouwd en denk na over het feit dat de hele stad met de grond gelijk wordt gemaakt omdat u een enkel legoblokje bent vergeten te plaatsen, of dat het van plaats is veranderd. Kunt u zich voorstellen wat voor een groot evenwicht en orde u had kunnen bewerkstelligen?

In het voorgaande hebben we gezien dat het leven in de wereld waarin wij leven, ook mogelijk is gemaakt door de opeenhoping van zo'n groot aantal details, onbegrijpelijk voor het menselijk verstand. De afwezigheid van slechts één detail, kan het einde van het leven op aarde betekenen.

Alles, elk detail van het atoom, het kleinste deeltje van materie, tot de melkwegen die biljoenen sterren bevatten, van de maan (een onlosmakelijk aanhangsel van de aarde), tot het zonnestelsel, alles werkt in een perfecte harmonie. Dit goed georganiseerd systeem verloopt vlekkeloos, net als een horloge, maar dan complexer. We weten dat het horloge een 'maker' heeft en toch schrijven we het bestaan van het vele malen complexere universum met al zijn elementen aan louter toeval?! Mensen zijn zo vertrouwd dat dit biljoenen jaren oude systeem door gaat met functioneren zonder een enkel detail achterwege te laten, dat zij vrij plannen maken over iets dat zij denken te realiseren in de volgende tien jaar. Niemand maakt zich zorgen of de zon morgen wel eens niet op komt. De grote meerderheid van de mensen denkt niet na over dat "de aarde wel eens los zou geraken van de zwaartekracht van de zon en dat de aarde zich gaat bewegen richting het pikdonkere onbekende"; of vragen, "wat weerhoud dit ervan te gebeuren?"

Op dezelfde manier, wanneer mensen gaan slapen, zijn zij overtuigd dat hun hart of ademhalingssysteem niet gaat rusten zoals hun hersenen dat doen. Zelfs een stop van slechts enkele seconden in één van deze twee vitale systemen, is genoeg om de dood tot gevolg te hebben.

Wanneer de 'dingen van vertrouwdheid', welke het hele leven omvatten en die bepaalde gebeurtenissen veroorzaken alsof het de normaalste zaak van de wereld is, weggenomen worden, dan zien we dat alles gecreëerd is met zulk onderlinge afhankelijkheid, uiterst nauwgezet en dat het een super evenwichtig systeem is, alsof ons leven hangt aan een zijden draadje, of zelfs nog dunner dan dat. We zullen een voortreffelijke orde opmerken, heersend in elke plaats, waar we ook kijken. Zeker, er is een grote Kracht Die zo'n orde en harmonie creëert. De bezitter van zo'n grote kracht is Allah, Die alles gecreëerd heeft uit het niets. In een vers van de Qor-aan staat: ...Jij ziet in de schepping van de Erbarmer geen onevenwichtigheid. Kijk dan nog een keer, zie jij een afwijking? Kijk dan nog eens twee maal, jij zult jouw ogen nederig neerslaan, terwijl zij vermoeid zijn. [67:3-4]

Als we kijken naar de levende wezens in de hemelen, op aarde en alles wat daartussen is, zien we dat zij allen het bestaan bewijzen van hun Schepper. In de volgende hoofdstukken zullen we stilstaan bij de natuurlijke verschijnselen en levende wezens die iedereen kan zien, maar slechts weinigen denken na hoe zij tot bestaan zijn gekomen en hoe zij doorgaan met hun bestaan. [Ik heb maar een kleine selectie uit dit boek gehaald. Voor de mensen die interesse hebben naar dit (nieuwe) boek moeten me maar pm-en.] Denk aan die aap en die ezel uit de inleiding van dit boek. [- knip -]

Er was eens een boom. Bij die boom kwamen een aap, een ezel en een mens. Alle drie hebben ogen en de mogelijkheid om ermee te zien. Ze hebben ook alle drie hersenen die ze gebruiken om handelingen te verrichten. Maar er is echter toch een groot verschil tussen deze drie, of toch niet?! Als de aap die boom ziet, zal hij misschien denken "oh een boom" en dan loopt hij die boom voorbij, misschien klimt hij in die boom, maar hij denkt er niet over na waar die boom vandaan komt. Als de ezel die boom ziet, zal hij misschien denken "oh, een boom" en loopt eraan voorbij, misschien krabt hij met zijn achterste even tegen die boom, maar hij zal niet nadenken over waar die boom vandaan komt. Wat nou als de mens die boom ziet en hij eraan voorbij loopt zonder na te denken over waar die boom vandaan komt, hoe zijn wortels diep de bodem in dringen op zoek naar water en hoe zijn takken wijd de lucht in reiken en hoe er in zijn bladeren fotosynthese plaats vindt dat nodig is voor al het leven op aarde. Wat is dan het verschil tussen die aap, die ezel en die mens? [/- knip -]

Als we alle Tekenen van Allah zouden opschrijven, dan zouden zij vele duizenden delen van een encyclopedie vullen. Daarom gaan we in deze aflevering alleen enkele onderwerpen in het kort bespreken, die het verdienen om er zeer lang over na te denken. Zelfs deze in het kort besproken onderwerpen, zullen helpen alle mensen te overtuigen van het belangrijkste feit in hun leven, of tenminste helpen het hen nogmaals te herinneren: dat God bestaat. Voor Hem is alle eer voor het ontstaan van de hemelen en de aarde en u kunt Hem kennen door te redeneren.

Het leger in de mens.
Elke dag wordt er ongemerkt door u, een strijd uitgevochten in de binnenste delen van uw lichaam. Aan de éne kant staan de virussen en bacteriën met het doel uw lichaam binnen te dringen en de controle over te nemen. Aan de andere kant staan de immuniteitscellen van ons afweersysteem die ons lichaam beschermen tegen deze vijanden.

De vijanden wachten in een offensieve positie om hun weg te banen naar de plek die zij als doel hebben, en zij verplaatsen zich naar dat doel zodra zij de kans schoon zien. De sterke, goed georganiseerde en gedisciplineerde soldaten van het doelgebied geven zich niet zo snel gewonnen. De soldaten die de vijandige soldaten opslokken en neutraliseren (de fagocyten), arriveren op het slagveld. Soms is de strijd heviger dan deze soldaten aan kunnen. In dit geval worden andere soldaten (macrofagen) opgeroepen. Hun betrokkenheid veroorzaakt alarm in het doelgebied en weer andere soldaten (T-cellen) worden ook ten strijde geroepen.

Deze soldaten zijn welbekend met het lokale volk. Snel onderscheiden zij hun eigen leger van dat van de vijand. Zij activeren onmiddellijk de soldaten die aangesteld zijn voor de wapenproductie (B-cellen). Deze soldaten hebben buitengewone bekwaamheden. Ofschoon zij de vijand nog nooit hebben gezien, kunnen zij wapens maken welke de vijand veranderen in iets incapabels. Aanvullend, dragen zij de wapens die zij produceren zo ver als nodig is. Tijdens deze reis slagen zij erin de moeilijke taak te volbrengen om geen schade te veroorzaken aan zichzelf, noch aan hun bondgenoten. Daarna slaan de aanvalteams toe (dodende T-cellen). Zij storten de giftige stoffen die zij bij zich dragen, over de meest vitale plek van de vijand. In geval van een overwinning, arriveert een andere groep van soldaten op het slagveld (onderdrukkende T-cellen), die alle strijders terug stuurt naar hun kamp. De soldaten die als laatste op het slagveld aantreden, zijn de geheugencellen, die alle relevante informatie over de vijand opslaan, zodat deze gebruikt kan worden bij een vergelijkbare invasie in de toekomst.

Het voortreffelijke leger dat hierboven beschreven wordt, is het afweersysteem in het menselijk lichaam. Alles wat hierboven wordt uitgelegd, gebeurt door microscopisch kleine cellen, onzichtbaar voor het blote oog. Hoeveel mensen zijn zich ervan bewust, dat zij zo'n georganiseerd, gedisciplineerd en perfect 'leger' in hun eigen lichaam hebben? Hoeveel van hen zijn zich ervan bewust dat zij omgeven zijn van alle kanten, door microben die, als zij niet gehinderd worden ernstige ziekten kunnen veroorzaken met soms de dood tot gevolg? Inderdaad, er zijn vele gevaarlijke microben in de lucht die we inademen, in het water dat we drinken, in het voedsel dat we eten, op het oppervlak dat we aanraken. Terwijl wij er niet van bewust zijn wat er allemaal gaande is, leveren de cellen in ons lichaam een enorme inspanning om ons lichaam te redden van en beschermen tegen ziektes, waaraan iemand zelfs kan sterven.

De mogelijkheid van alle immuniteitscellen om onderscheid te maken tussen vijandige cellen en lichaamseigen cellen, de mogelijkheid van B-cellen op wapens te maken om de vijand te neutraliseren terwijl zij de vijand nog nooit hebben gezien, hun mogelijkheid om deze mee te nemen zo ver als nodig is, zonder schade toe te brengen aan lichaamscellen, de signaalontvangende cellen die hun plicht vervullen zonder enig bezwaar, elk van hen wetende wat te doen, de terugkeer naar hun plaats zonder problemen nadat zij klaar zijn met hun werk, en de mogelijkheid van de geheugencellen, zijn slechts enkele van de kenmerkende karakters van dit systeem.

Vanwege al deze redenen, is het verhaal van de vorming van het afweersysteem nooit besproken door geen één evolutionistische schrijver.

Het is extreem moeilijk voor een persoon zonder immuunsysteem te overleven, aangezien hij blootgesteld zal worden aan alle microben en virussen in de wereld om hem heen. Vandaag de dag kunnen zulke personen slechts overleven in een speciaal ontworpen, afgesloten en geconditioneerde ruimte, die deze personen volledig afsluiten van de buitenwereld. Daarom is het onmogelijk voor een persoon zonder immuunsysteem, te overleven in een primitieve omgeving. Dit leidt ons naar het feit dat een extreem complex systeem, zoals het afweersysteem, alleen maar kan bestaan door in één keer te zijn gecreëerd met al zijn elementen.

Het spijsverteringsstelsel.
Een systeem ontworpen tot in het kleinste detail. Ademhalen, eten, wandelen etc. zijn heel normale menselijke functies. Maar de meeste mensen denken niet na over hoe deze basisacties plaatsvinden. Bijvoorbeeld; wanneer een persoon fruit eet, denkt hij niet na over hoe het bruikbaar gemaakt wordt voor het lichaam. Het enige waar hij aan denkt, is het eten van een gezonde maaltijd; op hetzelfde moment is zijn lichaam verwikkeld in een onvoorstelbaar extreem gedetailleerd proces, dat deze maaltijd omzet in een gezondheid gevend iets.

Het spijsverteringsstelsel waar deze gedetailleerde processen plaats vinden, begint te functioneren zodra een stukje voedsel in de mond komt. Betrokken in het systeem, meteen in het begin, is het speeksel, dat het voedsel bevochtigt en zo het vermalen door de tanden vergemakkelijkt, waarna het door de slokdarm naar beneden glijdt. De slokdarm transporteert het voedsel naar de maag, waar een perfect evenwicht aanwezig is. Hier worden eiwitten afgebroken door pepsine, die dat alleen kunnen doen door het in de maag aanwezige zoutzuur dat helpt het voedsel zacht te maken. Dit zuur is zo sterk dat het niet alleen het voedsel kan oplossen, maar ook de maagwand. Natuurlijk is zo'n gebrek niet veroorloofd in dit perfecte systeem. De cellen van de maagwand worden beschermd door de voortdurende vorming van een laagje kleverig slijm. Dit slijm beschermt de maagwand tegen het vernietigende effect van zoutzuur. Zo is de maagwand beschermd om te voorkomen dat het zichzelf vernietigt.

De rest van het spijsverteringssysteem is net zo ontworpen. De bruikbare en waardevolle voedingsstoffen worden afgebroken als resultaat van een doelmatige enzym-ordening in het spijsverteringssysteem en door de efficiënte wijze waarop de darmwand ze uit de darmholte absorbeert. De binnenkant van de darmwand is geplooid (plooien van Kerckring) om het oppervlak te vergroten en de darmwand is bedekt met uiterst kleine vingervormige uitsteeksels (villi) waardoor het oppervlak nog meer vergroot wordt. Bovenop de cellen bovenaan de villi zijn microscopisch kleine uitstulpingen, microvilli genaamd. Deze uitstulpingen functioneren als pompjes om de voedingsstoffen te absorberen. De door de 'pompjes' geabsorbeerde voedingsstoffen worden opgenomen in de omliggende bloedsomloop, wat op zich ook een zeer complex en wonderbaarlijk geheel is.

Het punt dat hier de aandacht verdiend, is dat de evolutie dit systeem, hierboven in het kort uitlegt, op geen manier kan verklaren. Evolutie beweert dat de complexe organismen van heden ten dage, zich ontwikkeld hebben van primitieve wezens, door geleidelijke opeenstapeling van kleine structurele veranderingen. Maar, zoals al eerder verklaard, kan het systeem in de maag in geen geval stap voor stap gevormd zijn. De afwezigheid van zelfs één factor, heeft de dood van het organisme tot gevolg.

Wanneer het voedsel aankomt in de maag, verwerven de maagsappen zich de mogelijkheid om het af te breken, als resultaat van enkele chemische veranderingen. Nu, stelt u zich eens een levend wezen voor, in het zogenaamde evolutieproces, dat niet in staat is om zo'n geplande chemische omzetting te laten plaatsvinden. Dit levend wezen is niet in staat om het voedsel wat het gegeten heeft te verteren, en het zal sterven van de honger met een hoeveelheid onverteerd voedsel in zijn maag.

Bovendien, tijdens de afscheiding van dit oplossend zuur, moet de maagwand gelijktijdig het slijm produceren om de maagwand tegen dit zuur te beschermen. Anders zal het zuur in de maag, de maag vernietigen. Daarom, om het leven te laten voortduren, moet de maag beide vloeistoffen (zuur en slijm) op hetzelfde moment afscheiden. Dit toont aan dat het niet stap voor stap, toevallig ontwikkeld is, maar dat een bewuste creatie, met alle systeembenodigdheden, om het systeem goed te laten verlopen, heeft plaats gevonden.

Wat dit allemaal aantoont is dat het menselijk lichaam lijkt op een gigantische fabriek, opgebouwd uit vele kleine machines die samen werken in perfecte harmonie. Net zoals dat elke fabriek een ontwerper, een technicus en bouwers heeft, heeft ook het menselijk lichaam een Verheven Schepper.

Een half ontwikkeld oog kan niet zien.
Wat komt er als eerste in u op, als u het woord 'oog' hoort? Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid tot het zien, één van de meest cruciale dingen in het leven is? Zelfs als u zich ervan bewust bent, heeft u er al eens over nagedacht welke tekenen uw ogen nog meer vertonen? Het oog lijkt te zijn ontworpen en wel op zo'n manier die geen telescoopbouwer zou kunnen verbeteren. Een oog voert zo'n 10 miljard berekeningen per seconde uit.

Het is oog is één van de meest duidelijke stukjes bewijs dat levende wezens zijn gecreëerd. Alle organen om te zien, ook de dierlijke en menselijke ogen, zijn uitermate opvallende voorbeelden van een perfect ontwerp. Dit buitengewone orgaan is zo overweldigend complex, dat het zelfs het meest ontwikkelde apparaat ter wereld overtreft.

Als alle onderdelen van het oog samen aanwezig zijn, en samen werken in harmonie, dan pas kan het oog zien. Bijvoorbeeld, als een oog zijn ooglid zou missen, maar verder zijn alle andere onderdelen wel aanwezig, zoals de lens, het hoornvlies, pupil, bindvlies, netvlies, iris, kanaal van Cloquet, ciliairspieren, traanklieren en nog enkele andere onderdelen meer, dan nog zou het oog zwaar beschadigd zijn en het oog zal snel zijn mogelijkheid tot zien verliezen. Of als alle organellen aanwezig zouden zijn, maar de traanproduktie zou stoppen, dan droogt het oog snel uit en het wordt blind. Ook het feit dat er 'plotseling en per toeval' twee gaten in de schedel zijn gekomen, om plaats te maken voor de 'in de toekomst' te ontwikkelen ogen, en dat er langzaam 'stap voor stap' draadjes zijn gaan groeien van de hersenen naar de ogen, en dat die gaten aan de voorkant van het hoofd zijn ontstaan en niet onder onze haren, is zelfs met veel ondoordachte fantasie niet voor te stellen.

De 'serie van toevalligheden', verondersteld door de evolutionisten, verliest al zijn inhoud tegen de complexe structuur van het oog. Het is onmogelijk het bestaan van het oog uit te leggen, anders dan een kwestie van een speciale schepping. Het oog bestaat uit gecompliceerde, afzonderlijke segmenten, die samen een complex systeem vormen en, zoals hierboven besproken, moeten alle individuele segmenten op hetzelfde moment tot bestaan zijn gekomen. Het is onmogelijk voor een half ontwikkeld oog, om te functioneren op 'halve capaciteit'.

In zo'n situatie kan de handeling 'zien' niet plaats vinden. Een evolutionistische wetenschapper geeft toe naar aanleiding van deze waarheid: "De gemeenschappelijke eigenschap van ogen en vleugels is, dat zij alleen kunnen functioneren als zij volledig zijn ontwikkeld. Met andere woorden, een half ontwikkeld oog kan niet zien; een vogel met half gevormde vleugels kan niet vliegen." (Bilim ve Teknik magazine, Science and Technology magazine, vol. 203, pag. 25.) In dit geval zien we alweer de heel belangrijke vraag: wie creëerde alle segmenten van het oog in één keer? De bezitter van ogen, is duidelijk niet diegene die de beslissing neemt hoe de ogen gevormd moeten worden. Omdat het onmogelijk is voor een wezen, dat aan het begin staat van de 'evolutie', dat geen kennis heeft van wat zien is en verstoken is van het verlangen naar een orgaan om te zien, om iets aan zijn lichaam toe te voegen. Dus moeten we het bestaan accepteren van een Bezitter van superieure Kennis, Die levende wezens gecreëerd heeft met zintuigen zoals zien, horen enz. Een andere bewering is dat onbewuste cellen, functies verkregen die bewustzijn behoeftig zijn, zoals zien en horen. Ze zouden deze functies door hun eigen behoefte en moeite verkregen hebben. Het is duidelijk dat dit onmogelijk is. In de Qor-aan staat vermeld dat de mogelijkheid tot het 'zien' aan levende wezens geschonken is door Allah de Verhevene: Zeg: Hij is Degene Die jullie heeft doen ontstaan en jullie gehoor, gezichtsvermogen en harten heeft gemaakt. Weinig is de dankbaarheid die jullie tonen. [67:23]

Hoe herkennen cellen elkaar?
Tijdens ons voortgezet onderwijs leren we allemaal over de vorming van het menselijk lichaam. We weten dus allemaal dat het embryo, wat in eerste instantie slechts een stukje vlees is, na een bepaalde tijd verandert in een lichaam. Tijdens dit proces beginnen de cellen zich te onderscheiden. Sommige vormen armen, andere inwendige organen en weer andere vormen ogen. Elke cel weet waar hij naartoe moet, welke orgaan het zal vormen, hoeveel het zich moet vermenigvuldigen en wanneer het moet stoppen. Hoe dan ook, het onderstaande informeert ons over een ander ontzagwekkend aspect van de ontwikkeling van het embryo.

Als we van een embryo de cellen die behoren tot verschillende organen scheiden - onder voorwaarde dat we in de omgeving de hoeveelheid calcium verminderen - en deze verschillende cellen grondig mixen in een geschikt milieu, dan zullen de cellen, als zij elkaar tegen komen, WETEN welke cel wat is en de cellen van hetzelfde orgaan zullen afzonderlijke groepen vormen. (Prof. Dr. Ahmet Noyan, "Physiologie in life and in the field of medicine", Meteksan Publishing, Ankara, 1998, Edition 10, pag. 40.)

Met andere woorden; als we eerst de cellen van elkaar scheiden en dan weer bij elkaar brengen, zullen de cellen die hetzelfde orgaan vormen elkaar herkennen en zich herenigen. Hoe kunnen deze cellen, of ze nu hersenen, zenuwstelsel, ogen of oren zijn, elkaar herkennen? Hoe kunnen deze schepseltjes zonder bewustzijn of kennis, die slechts verzamelingen zijn van moleculen, die cellen selecteren die dezelfde eigenschappen hebben? Hoe weten zij dat zij later zullen samenkomen en samen hetzelfde orgaan zullen vormen? Wat is de bron van dit grote bewustzijn van onbewuste moleculen? De bron van dit bewustzijn is God, de Heer van alle werelden, Die het gehele universum geschapen heeft uit niets.

Het oor: nutteloze en onlogische veranderingen.
We hebben nu slechts vier wonderbaarlijke voorbeelden heel simpel besproken. In feite zijn ze veel gecompliceerder en vinden er veel meer complexe processen plaats. Maar ze tonen alle vier aan dat ze niet stapsgewijs maar in één keer moeten zijn ontstaan. Tot slot nog even een korte kijk naar het oor. Als we kijken naar het oor, zien we dat het oor bestaat uit vele onderdelen, zoals het trommelvlies, de hamer, het aambeeld, de stijgbeugel en het orgaan van Corti (een verzameling van zo'n 15.000 gespecialiseerde zintuigencellen). Wat is het nut om 'per toeval' een onderdeel te vormen dat alleen niet werkt, dat op zichzelf geen nut heeft? Het is zeer onlogisch dat er een trommelvlies wordt gevormd, zonder dat er bijvoorbeeld het orgaan van Corti aanwezig is. Zonder één van deze segmenten werkt het oor niet, het is nutteloos. Het gehoor werkt pas met alle onderdelen volledig ontwikkeld. Is het dan een opeenhoping van vele op zichzelf nutteloze, onlogische en toevallige veranderingen? Of is het een volmaakte Schepping in één keer van Allah de Almachtige?

Wat was er het eerste, de kip of het ei? Zonder kip, geen ei. Is er geen ei, dan is er ook geen kip. Of zijn de kip en het ei een volmaakte Schepping van Allah, de Alwetende, de Alwijze?
Oud 09-09-2003, 23:17
journey
journey is offline
ehh......

sorry ik heb het niet allemaal gelezen
Oud 11-09-2003, 17:56
nofi
nofi is offline
ik voor een deel wel.. nouja, alleen het eerste stuk. wat ik me nu afvraag is waar je deze wijsheden allemaal op baseerd. nergens in je stuk kan ik betrouwbare bronnen voor je verhaal vinden. het is allemaal een menselijk opvatting. met geen enkel verwijs naar wetenschappelijk onder zoek. het enige wat je opsomt zijn enkele merkwaardigheden aan het proces omtrend evolutie. omdat deze dingen uit jou mond raar over komen betekend dat niet meteen dat we daarom maar 'geschapen'.

verder is het 'kansrekening stuk' echt een beetje gesjoemel. ik moet zeggen dat ik zelf geen verstand van biologie heb. maar met mijn redelijke scheikundige kennis kan ik wel zeggen dat niet zomaar alle mogelijke combinaties van atomen kunnen. daarmee lijkt het met de rest van het kansreken stuk wel gedaan.

als laatste vraag ik me nog af waarom je dit hele stuk hier post. het is (hoop ik voor jou) niet door je zelf geschreven. en de enorme omvang en soms absurditeit lijkt dit niet de goede plaats.

-nofi,
Oud 12-09-2003, 14:24
Verwijderd
Het "Bil@l post lange stukken tekst-topic"?
Oud 15-09-2003, 13:43
Tjaslon
Tjaslon is offline
LOL!! Zeg kwam jij niet eerder aan met lange stukken waarna je mijn reactie daarop blijkbaar compleet negeerde??

Edit: wis, het is eigenlijk nutteloos om er aandacht aan te besteden. Maar let wel: de evolutie theorie zegt niets over het ontstaan in leven, enkel over het verloop daarvan!!

Laatst gewijzigd op 15-09-2003 om 13:58.
Oud 16-09-2003, 20:44
*Burning water*
*Burning water* is offline
Citaat:
Tjaslon schreef op 15-09-2003 @ 13:43:
LOL!! Zeg kwam jij niet eerder aan met lange stukken waarna je mijn reactie daarop blijkbaar compleet negeerde??

Edit: wis, het is eigenlijk nutteloos om er aandacht aan te besteden. Maar let wel: de evolutie theorie zegt niets over het ontstaan in leven, enkel over het verloop daarvan!!
De evolutietheorie hoe Darwin hem formuleerde niet. Maar tegenwoordig zijn we wel een aantal stappen verder en kijken we helemaal terug naar het prille begin van het leven. Ik vind dat het ontstaan van het leven daar ok bijhoort. Weet echter niet zeker of de wetenschappelijke wereld het daarmee eens is..
__________________
Met beide benen op de grond kom je niet ver..
Oud 27-11-2003, 23:44
Tjaslon
Tjaslon is offline
Citaat:
*Burning water* schreef op 16-09-2003 @ 20:44:
Weet echter niet zeker of de wetenschappelijke wereld het daarmee eens is
Wees gerust, dat is ze inderdaad niet.
Oud 28-11-2003, 17:00
Olafant
Avatar van Olafant
Olafant is offline
Ik ben nog aan het lezen, maar heb al wel een klein foutje ontdekt, denk ik.

Citaat:
(enk., stabiel elementair deeltje met een massa van 9,1 × 10^31 kg.)
Volgens mij moet dit 9,1*10-31 zijn.


Flinke lap tekst trouwens.
__________________
Massive Gay Fish! spAnarchist!

Laatst gewijzigd op 28-11-2003 om 17:07.
Oud 30-11-2003, 13:20
cup a soup
cup a soup is offline
Sommige evolutionisten voelen zich gedwongen terug te krabbelen wanneer zij worden geconfronteerd met de gigantische onwaarschijnlijkheid dat een levende cel door toeval ontstaat. Zo complex, zo ontzettend veel van elkaar afhankelijke processen...
Zonder het één, kan het ander niet functioneren. Het moet dus tegelijkertijd, in één moment zijn ontstaan. Dit bewijst de Schepping van onze Schepper, Glorieus en Verheven is Hij.



pfff.... neehee!
je hebt alleen het toevallig ontstaan van leven verworpen door grote lappen tekst te geven, zonder goede wertenschappelijke bronvermelding, die vrijwel niemand leest. en dan nog... dit hoeft niet direct te zeggen dat alles geschapen is door onze Schepper, Glorieus en Verheven is Hij.... wat een conclusie...
__________________
cup a soup is wel dom, maar niet slim
Oud 02-12-2003, 10:07
Tjaslon
Tjaslon is offline
Bespaar je je moeite, Bill hier heeft keer op keer bewezen dat wanneer zijn onzinnige teksten gelezen worden, hij niet meer reageert.
Oud 02-12-2003, 15:54
ValliantWarrior
Avatar van ValliantWarrior
ValliantWarrior is offline
Wow, wat een lange tekst
Maar alles is door God geschapen als je dat wou weten
__________________
Ik vecht met de wapenrusting Gods (Ef. 6:10-20), Pugno et Profligo
Oud 03-12-2003, 12:02
Just Johan
Just Johan is offline
Citaat:
Tjaslon schreef op 02-12-2003 @ 10:07:
Bespaar je je moeite, Bill hier heeft keer op keer bewezen dat wanneer zijn onzinnige teksten gelezen worden, hij niet meer reageert.
Inderdaad, en nu ben ik het zat.
Advertentie
Topic gesloten

Topictools Zoek in deze topic
Zoek in deze topic:

Geavanceerd zoeken

Regels voor berichten
Je mag geen nieuwe topics starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag geen bijlagen versturen
Je mag niet je berichten bewerken

BB code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Spring naar


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 01:49.