Oud 30-05-2009, 21:51
flyaway
Avatar van flyaway
flyaway is offline
De Verlorene Geliefde

In het holst van de nacht sloop ze door de straten, links en rechts keken een paar dronkemansogen haar af en toe aan, een kip stoof kakelend voor haar uit, en ze bleef even stilstaan. Een lantaarn schommelde aan haar arm, het bleef stil. Ze liep verder, hopen afval ontwijkend, overal was het donker, hier en daar klapperde er een luik. Ze liep verder door de straten die ze zo goed kende, eigenlijk had ze geen lantaarn nodig. Daar was haar huis, geruisloos glipte ze naar binnen, de lantaarn gedoofd. Ze beklom de ladder naar boven, ging zachtjes op haar strozak liggen, dacht na over de afgelopen nacht. Ze was voorzichtig genoeg geweest, niemand had haar opgemerkt, ze was op tijd thuis. Genoeglijk viel ze in slaap.

In vlotte pas verdween ze in de nacht, hij keek haar na, zuchtte, sloot de deur. Hij verlangde naar de middag, wanner hij haar in zin armen kon nemen, kon liefkozen. Hij zuchtte nogmaals en probeerde te slapen, wat niet lukte. Hij stapte weer uit zijn bed, ging aan de tafel zitten en schreef:

Liefste, myne lief
Ick heb U waerlyck lief
Voor altydt ende eeuwig
Ick heb U waerlyk lief


De hanen kraaide uit volle borst, de zon kwam op. Ochtend. Luiken knalden open, vuren werden aangewakkerd, de werkdag begon.
Moeder riep haar woest uit haar droom wakker, werken moest ze! Haar vader helpen in de bakkerij, rap! Ze snelde naar de bakkerij achter het huis, en deed haar dagelijkse klusjes; deeg kneden, deeg in de oven, vlaaien bezorgen bij de markiezin. Moeder pakte de kar vol vers brood, het was tijd om naar de markt te gaan.
Karren ratelden, koopmannen schreeuwden, kippen kakelden luid.

Hij staarde over de markt, op zoek naar de bakkers. Zijn haren vielen voor zijn gezicht, er zat een scheur in zijn blouse, een gat in zijn laars. Hij moet er armetierig uitgezien hebben, ondanks zijn afkomst. Hij slenterde verder, hield ongezien zijn meisje in de gaten. Het bakkersmeisje zag hem al snel, ging ervandoor, richting de stadspomp. Ze begroetten elkaar koud, afstandelijk, liepen samen de heuvel op. Het landgoed strekte zich ver uit, ze liepen het eerste huis in, de binnenplaats over, de stallen in, de zolder op. Daar kusten e elkaar, vol passie, vol hartstocht, dronken van liefde, zijn handen verstrengeld in haar haren, haar armen om hem heen.
Toen ze de heuvel afliepen, stak hij haar een papier toe. “Vanavond pas lezen” , zei hij geheimzinnig. Ze namen kort afscheid, niemand mocht het weten. Ze wisten het allebei van elkaar, alleen al als ze elkaar aankeken; vannacht ben jij weer de mijne.

Die avond, bij het schamele licht van een kaars las ze zijn gedicht. O, wat verlangde ze naar hem, naar zijn handen die haar gezicht strelen, naar zijn lippen die de hare raken, naar zijn lichaam tegen het hare. En dan… Het is tijd om te gaan.

De klok sloeg twaalf, ze vluchtte de ladder af, naar buiten, naar de donkere nacht. De weg wist ze, zonder lantaarn, ze liep het zo vaak. Daar stond hij, aar geliefde, bij de deur op haar te wachten. Geruisloos glipte ze langs hem heen. “Mijn liefste…” hijgde hij, zijn handen zochten de rijsluiting van haar jurk, de hare verdwenen onder zijn vuile blouse.

Vlug snelde hij over de heuvel, haar met zich mee trekkend. De zon was al op, de hanen hadden gekraaid, vort maken moesten ze! Een vluchtige kus, daar was de bakkerij, ze wuifde, maar hij was al weg.

De dag verstreek, zij deed haar werk, ging naar de markt, kwam terug. Hij, haar geliefde, leerde en leerde, schreef brieven, ging naar de herberg en leerde weer. Die avond zouden ze elkaar weer ontmoeten, achter de heuvel, waar zich hetzelfde afspeelde als elke nacht.

De volgende dag was zondag, rustdag. Overal in de stad was het rustig, er scharrelden wat kippen rond, hier en daar speelde kinderen. Het bleef rustig, tot in de namiddag, toen er een wilde stoet boodschappers door de stad trokken. Bij elke poort, elke deur werd er aangeklopt en een papier overhandigd, met een keizerlijk zegel erop. Vader pakte de brief aan, en binnen geen tijd stond iedereen om hem heen; moeder, broer, zusjes, zijzelf. Met trillende vingers maakte vader de brief open en met bevende stem las hij:

Bij deze vraag ik u allen op te komen naar het leger van mij, Karel de Grote. Alle mannen tussen de zestien jaren en de vijfenveertig jaren, worden verzocht om naar het koninklijk paleis te trekken, ongeacht hun afkomst van dorpen of steden. Allen maken wij ons op voor de bittere oorlog,ik zal zegevieren! De kranken en diegenen die slecht ter been zijn, zijn niet ten node. Doch degenen die gezond en sterk zijn, en weigeren, zullen door keizersdienaren opgespoord worden, en thans naar het leger doorgestuurd.
Wees gegroet, dappere krijgslieden!
Uwe keizerlijke hoogheid,
Karel de Grote

Zij schrok hevig; was haar geliefde ook niet een van hen? Ze snelde het huis uit, naar buiten, de heuvel over, naar het landgoed van haar geliefde. Ze vond hem op de binnenplaats van het eerste huis, en wierp haar hoofd in zijn schoot. “O, o, waarom nu toch? Waarom?” snikte ze. Hij richtte zich op en voerde zijn geliefde mee naar de stallen, waar hij haar teder kuste. “O, wat een verschrikking!” riep zij uit. Voorzichtig legde hij een vingen op haar lippen. “Mijn liefste,” fluisterde hij, “ik zal je niet verlaten, ik ga niet. Ik verschuil me in een hut in het bos. Ga mee, mijn liefste, ga met mij mee.”
Ondanks haar liefde die ze voor hem voelde twijfelde ze. Moest ze nu haar moeder en zusjes verlaten? Net nu vader en broer ook naar het leger moesten? Ze besloot na het vertrek van haar vader en broer te gaan, haar zusjes waren immers oud genoeg om haar moeder te steunen.
“Luister goed, mijn liefste.” zei hij. “De dag na morgen wacht ik op je achter de heuvel, als het donker is. Zorg dat je er op tijd bent.” Ze knikte. “Mijn liefste, vaarwel, tot ziens.” Een vluchtig afscheid, en daar ging ze.

Moeder huilde, een traan viel op het deeg. Over een paar uur zouden ze weggaan. Het geld dat ze in bewaring hadden, werd door vader eerlijk verdeeld over alle gezinsleden, ieder had zijn deel.

Zij zat zwijgend op haar strozak. Vanavond zou ze weggaan, naar haar geliefde, die verscholen was in het bos. Ze zuchtte, pakte haar mesje en sneed de touwtjes door die haar strozak dichthielden. Met één grote beweging stortte ze haar strozak leeg op de grond. In de lege zak deed ze kaarsen, een kandelaar, een fles olie, een paar lappen stof, een buideltje eigen geld, een grotere buidel met het verdeelde familiegeld. Ten slotte deed ze haar deken ook nog in de zak en bond hem stevig dicht. Ze zette de zak naast haar lantaarn en klom de ladder af. Vanavond ging het gebeuren.

Ze hoorde haar moeder huilen, het was laat. Nog even, en dan zou ze weg zijn. Eindelijk hoorde ze haar moeder en zusjes alleen nog maar ademen, het gesnik was opgehouden. Ze wachtte nog even en toen stond ze op, pakte de lantaarn en stak die aan. Voorzichtig deed ze de luiken open en gooide haar strozak met spullen naar buiten, om vervolgens de luiken weer zachtjes te sluiten en de ladder af te klimmen. Vlug liep ze door de achterdeur naar buiten, pakte haar strozak en glipte een zijstraat in.

Daar stond hij, zijn zwarte haren glanzend in het maanlicht. Een golf van verlangen schoor door haar heen, haar liefste, helemaal van haar alleen. Zo snel ze kon, beklom ze de heuvel en vloog haar geliefde in de armen, zoende zijn nek. “Vlug, mijn liefste.” fluisterde hij. “We moeten spoedig gaan, voordat iemand ons hier zien zal.” Hij pakte haar strozak en lantaarn van haar over en samen trokken ze het bos in. Al snel was er niets anders te zien dan bomen, sterke reuzen met een ver verleden. Hoe verder ze liepen, hoe dichter de bomen op elkaar stonden, hoe meer struiken. Zwijgend liepen ze door. “Hou vol mijn liefste, we zullen er spoedig zijn.” sprak hij haar moed in.
En hij had gelijk, want niet veel later zag ze de contouren van een grote boshut. “Volg mij, hier is de deur.” sprak hij, en pakte haar hand. Samen liepen ze naar binnen, het was donker, maar dat gaf niet. Ze was zo moe dat ze gelijk in slaap viel toen ze het zachte bed onder haar oververmoeide lichaam voelde.

Hij werd wakker door een streling op zijn borst, langzaam deed hij zijn ogen open. “Gegroet, mijn liefste.” klonk het zacht. De luiken waren al open, het geurde in de kamer naar vers brood en zoete wijn. ’s Ochtends vroeg, toen de zon nog maar net door de bomen heen scheen, was ze alvast rond gaan kijken in de boshut. Er was een waterput op een kleine binnenplaats, er waren twee stallen, waar één paard in stond, een paar koeien en een stel geiten. Later ontdekte ze dat er kippen rondom de hut liepen die de stal als nestelplaats in gebruik hadden genomen. In de hut zelf was er een aparte ruimte om je te wassen, een schijthok, twee kamers, een slaapkamer met twee zachte bedden, een grote keuken met kookplaats en een grote tafel met acht stoelen eromheen. De tweede kamer was een grote, lichte ruimte met zachte banken en grote kasten vol met boeken. Aan het plafond hingen twee grote kroonluchters. Verder was er een haard in elke kamer. Achter de vuurplaats was een kelder met en grote voedselvoorraad; stukken gedroogd vlees, gedroogd fruit, bieten, zakken meel, potten zout en gist, vaten met bier en wijn. Verder stonden er stapels brandhout. Ze was gelijk aan het werk gegaan; ze had een van de koeien gemolken, eieren geraapt, water geput, alles uit de kelder gehaald wat ze nodig had en was brood gaan bakken. Toen was ze naar buiten gegaan op zoek naar vers fruit, en vond even verderop wat fruitbomen en struiken met bessen.

Ze keek toe hoe hij zich langzaam aankleedde, in gezicht waste. “Het eten is klaar, mijn liefste.” zei ze zacht. Onder het eten spraken zij niet, ze waren allebei nog moe van de reis.

Ze hadden een mooie tijd met elkaar, maar zij was vaak ongerust. Ongerust, omdat de knechten van de keizer steeds meer mannen uit de dorpen en steden haalden die waren achtergebleven en in het leger moesten. Op een dag zegt ze tegen haar geliefde:
“Liefste, ik wil met je spreken.
Stel je nu eens voor dat zij ons vinden,
je zou mee moeten, het leger in,
je zou mij achter moeten laten.
Ik kan niet zonder jou, mijn allerliefste!”
Haar geliefde antwoordde:
“Mijn lief, zij zullen ons niet vinden,
wij zijn hier veilig, dat weet je toch?
Ik zal je niet verlaten,
nooit van mijn leven.”

Het najaar naderde, en ondanks de grote voorraad hakten ze nog meer brandhout, tot de kelder en bijna vol mee lag. Ze gingen zich klaarmaken voor de winter; ze stopten de tochtgaten van de stallen dicht met riet en mos, ze putte water om het in afgesloten kruiken te bewaren, ze rookten stukken zelfgeschoten vlees en hing het aan de balken van de keuken. Hij schoot zo veel mogelijk wild dat ze weer gebruikten voor het vlees, nieuwe pijlen en boog en kleding. Van de dikken huiden naaide zij warme winterkleding, van de overige huiden maakten ze grote vellen perkament.
Het werd kouder en kouder, de dieren hadden ze al op stal gezet, het paard als laatste.

Hartje winter was het, toen zij over tijd raakte. “Hoe moet dat nu?” huilde ze. “We zijn niet eens gehuwd! En dat is ook levensgevaarlijk in deze een moeilijke tijd!” Hij troostte haar: “Mijn liefste, maar ik verlaat je toch niet? Dat zou ik nooit doen!” Ze huilde.

De winter ging voorbij, het voorjaar brak aan. Toen sloeg het noodlot toe, hetgeen zij al zo lang voor gevreesd had. Met twaalf tegelijk kwamen ze, met veel geweld, kabaal en toorn. Hem moesten ze hebben, in naam van de keizer, Karel de Grote! Ze hadden een korte tijd om afscheid te nemen. “Zie je nu wel,” huilde ze, “nu verlaat je me toch nog!” “Nee,” was zijn antwoord, “nee, ik verlaat je niet. Ik draag je bij me, voor altijd.” Toen namen ze hem mee, haar huilend achterlaten, met in haar buik hun kind.

Ze moest dóór, ook zonder hem. Ze werkte, ze at, ze dronk, zorgde voor de dieren. Totdat op een avond de eerste tekenen van de bevalling zich aandienden. En daar, in die donkere nacht, beviel ze alleen, eenzaam als een verloren schat, achtergelaten als een dode muis, van een prachtig jongetje.
Toen besloot ze dat ze zo niet meer verder kon, ze zou teruggaan naar de stad, naar haar moeder en zusjes. Ze zou har vee verkopen, het huis, het land dat erbij hoort. Haar geliefde zou heelhuids terugkeren uit de oorlog, ze zouden overwonnen hebben. Ze zouden trouwen, nog meer kinderen krijgen, gelukkiger worden dan nooit tevoren.

Ze zadelde het paard op, bond het kind in doeken om haar buik en vertrok. Tegen de middag bereikten ze de hoofdweg richting de stad. Maar het noodlot voltrok zich, het paard stapte met zijn been in een diepe kuil,viel, met haar en het kind onder hem.
Ze stierven.

Laatst gewijzigd op 30-05-2009 om 23:23.
Advertentie
Topic gesloten

Topictools Zoek in deze topic
Zoek in deze topic:

Geavanceerd zoeken

Regels voor berichten
Je mag geen nieuwe topics starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag geen bijlagen versturen
Je mag niet je berichten bewerken

BB code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Spring naar

Soortgelijke topics
Forum Topic Reacties Laatste bericht
Verhalen & Gedichten [Poll] Verhalenwedstrijd - bespreking
flyaway
64 21-06-2009 11:39


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 07:49.