Oud 08-05-2006, 13:26
bagel
Avatar van bagel
bagel is offline
ik heb stiekem niet altijd opgelet... of nouja.. geschiedenis als 7e vakken en daar moet economie onder lijden.. en nu weet ik niet welke onderwerpen ik moet leren voor het examen.. ik ben dom ik weet het kan iemand het mij vertellen? we hebben het boek pincode..

geloof ik.. wel iets in die richting

en zeg nou alstublieft niet vraag het aan een vriendin.. want ik heb studievriendinnen en ik heb het al honderd keer gevraagd enzo.. en dan kom ik nog dommer over geen zin in

kan iemand me helpen?
Met citaat reageren
Advertentie
Oud 08-05-2006, 18:10
leipo
leipo is offline
(bij het pincode: H4, H5, H6, H8 en V1 + V2)

ik heb dit van z'n website...erg nuttig
-------------------

Examenstof vmbo

Inleiding
Dit is een samenvatting van de examenstof van het vak Economie voor het VMBO.
De samenvatting is geschikt voor alle niveaus. Jaarlijks worden twee examenonderwerpen uitgekozen die dat jaar gelden voor alle niveaus. Je kunt de examenonderwerpen vinden op www.examenblad.nl.

De stof is verdeeld volgens de officiŽle examenonderwerpen. De onderwerpen zijn:
Arbeid en productie (EC/K/5)
∑ Overheid en bestuur (EC/K/6) - alleen voor TL
∑ Natuur en milieu (EC/K/8) ∑ Verrijkingsdeel (EC/V/1)


Veel succes met het leren van je examen!

Arbeid en Productie (EC/K/5)
Bij dit examenonderdeel staan de volgende hoofdbegrippen centraal:
1. Arbeid
2. Werkloosheid
3. Productie
4. Prijsvorming

Ad 1: Bij dit hoofdbegrip moet je weten dat er een Arbeidsmarkt bestaat, ofwel de vraag naar en het aanbod van arbeid. Bij de vraag naar arbeid moet je denken aan de werkgevers (geven werkgelegenheid) en bij het aanbod van arbeid moet je denken aan de beroeps(geschikte) bevolking die zich aanbiedt om te werken.
Bij Arbeid moet je ook denken aan arbeidsovereenkomsten (individuele tussen werknemer en werkgever en collectieve (CAO) tussen vakcentrales en werkgeversorganisaties). Tenslotte bestaat er bij Arbeid een Informele sector (denk aan vrijwilligerswerk en aan zwartwerken) en een Formele sector (denk aan geschoold en ongeschoold werk en aan fulltimers en parttimers).

Ad 2: Als er minder vraag naar arbeid is dan aanbod (er zijn dus minder banen beschikbaar dan mensen die graag willen en kunnen werken), dan spreken we van werkloosheid. We kennen conjuncturele werkloosheid (het gaat even slecht met de economie, dus zijn er minder banen) en we kennen structurele werkloosheid (machines hebben bijvoorbeeld het werk van mensen overgenomen, waardoor mensen werkloos zijn geworden).

Ad 3: Bij dit hoofdbegrip moet je weten dat bedrijven producten en diensten maken (= produceren). Om dit te bereiken, heb je productiefactoren nodig (Kapitaal, Arbeid, Natuur en Ondernemerschap) die worden beloond door rente, loon, pacht/huur en winst. De weg van grondstof tot eindproduct noemen we de productieweg en bedrijven in de productieweg noemen we de bedrijfskolom.
Als bedrijven willen produceren, zullen ze moeten investeren in gebouwen, machines en personeel. Heeft een bedrijf veel geld nodig om te investeren, dan noemen we zo een bedrijf kapitaalintensief. Heeft een bedrijf veel personeel nodig, dan noemen we dat arbeidsintensief. Als er machines worden gekocht om het werk gemakkelijker te maken, dan noemen we dat mechanisatie. Als machines het werk van de mens volledig gaan overnemen, dan noemen we dat automatisering.
Tenslotte kennen we een zekere vorm van arbeidsverdeling. Arbeidsverdeling binnen een bedrijf noemen we interne arbeidsverdeling en de verdeling van het werk tussen diverse bedrijven noemen we externe arbeidsverdeling. Zelfs internationaal kennen we een vorm van arbeidsverdeling: internationale arbeidsverdeling, ofwel landen produceren bepaalde goederen of diensten omdat ze een gunstig klimaat hebben of omdat ze bepaalde grondstoffen bezitten.

Ad 4. De prijs van een product of dienst wordt allereerst bepaald door de kostprijs. De kostprijs bestaat uit alle kosten die voor het maken daarvan noodzakelijk zijn. Dit zijn niet alleen de variabele bedrijfskosten als inkoopkosten, maar ook de constante bedrijfskosten, zoals personeelskosten, huisvestingskosten, rentekosten, afschrijvingskosten en overige kosten. De verkoopprijs van een product of dienst zal dus minimaal de kostprijs moeten bedragen, omdat de ondernemer anders verlies zal lijden. In de particuliere sector willen de bedrijven winst maken, dus zal men de verkoopprijs (de consumentenprijs) boven de kostprijs laten uitkomen.
Het aantal verkochte artikelen in een tijdsperiode (de afzet) x de gemiddelde prijs per artikel
noemen we de omzet. De omzet minus de inkoopwaarde van die omzet noemen we de brutowinst. Als we van de brutowinst de constante bedrijfskosten afhalen, dan houden we de nettowinst over.
Hoeveel dat is, hangt af van de concurrentie en in hoeverre de klant bereid is een bepaalde prijs voor het product of de dienst neer te leggen. Denk in dit geval aan het marketingbeleid (de prijs, het product, de plaats, de promotie en het personeel).

Overheid en bestuur (EC/K/6) - alleen voor TL
Bij dit examenonderdeel, dat alleen van toepassing is voor TL-leerlingen, staan de volgende hoofdbegrippen centraal:

1. De overheid als producent
2. De overheid als wetgever
3. OverheidsfinanciŽn
4. Economische politiek

Ad 1. De overheid als producent. De overheid is bij van alles betrokken en is er voor iedereen in het land. De overheid bestaat uit het Rijk (zorgt voor landelijke zaken), de provincies en de gemeenten. Omdat Nederland lid is van de EU, moet men zich bij haar beslissingen laten leiden door EU-regelgeving. De Nederlandse overheid bemoeit zich wel met de economie, maar niet in die mate dat sprake is van een planeconomie (hier heeft de overheid zeer veel invloed, zoals in China).
Als de overheid zich, net als bijvoorbeeld in Amerika, helemaal niet met de economie zou bemoeien, dan spreken we van een markteconomie. In Nederland is dus sprake van een gemengde economie.
De overheid heeft invloed door bijvoorbeeld eigen bedrijven te beheren (of een groot aandeel in bedrijven te hebben, zoals bijvoorbeeld bij de NS). Als de overheid staatsbedrijven verkoopt aan particuliere ondernemers, dan spreken we van privatiseren.
Met haar overheidsbedrijven levert de overheid overheidsproducten. We kennen collectieve producten (hier maakt iedereen gebruik van, zoals wegen, straatverlichting, enz.) en individuele producten (hier maak je gebruik van als je als individu deze nodig hebt, zoals bijvoorbeeld een paspoort of parkeerbelasting; je betaalt dan een vergoeding aan de overheid volgens het profijtbeginsel: iedereen die van een individuele overheidsdienst gebruikmaakt, betaalt daar ook voor).
Overheidsbedrijven behoeven geen winst te maken, we noemen al deze bedrijven tezamen de collectieve sector. Particuliere bedrijven willen wel winst maken; we noemen deze bedrijven de particuliere sector.
De overheid geeft ook geld uit zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat, zoals uitkeringen en subsidies. We noemen deze uitgaven overdrachtsuitgaven.

Ad 2. De overheid als wetgever. De overheid heeft, zoals gezegd, invloed op de economie. Door wetgeving kunnen een groot aantal zaken worden geregeld, zoals het stelsel van de sociale zekerheid zoals we dat in Nederland kennen. Als wetgever zorgt men door sociale voorzieningen ervoor dat niemand in Nederland onder het bestaansminimum hoeft te komen (m.b.v. de Bijstandswet). Door de sociale verzekeringen zorgt de overheid ervoor dat inwoners van Nederland verzekerd zijn tegen de financiŽle gevolgen van werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid. De sociale verzekeringen bestaan uit volksverzekeringen (AWBZ, AOW, ANW, AAW, AKW) en uit werknemersverzekeringen (hiervoor betalen uitsluitend werkenden premie) WW, WAO en ZFW.
Tevens regelt de overheid de arbeidsomstandigheden door middel van de ARBOwet, de werktijden (door de Arbeidstijdenwet) en het voorkomen van uitbuiting door middel van de Wet op het minimumloon.

Ad 3. OverheidsfinanciŽn. Om de onder ad 2 en ad 3 beschreven uitgaven te kunnen doen, heeft de overheid middelen nodig. Deze middelen komen uit belastinginkomsten en nietbelastinginkomsten, zoals bijvoorbeeld de gasopbrengsten, maar ook boetes en heffingen. Jaarlijks wordt in september een begroting gemaakt door de overheid (de Miljoenennota) waarin de in het aankomende jaar te verwachten uitgaven en inkomsten staan vermeld. Vaak bedragen de verwachte uitgaven meer dan de te verwachten inkomsten en is dus sprake van een begrotingstekort. De overheid zal dan geld moeten lenen (waardoor de staatsschuld toeneemt).
Het grootste deel van de overheidsinkomsten komt uit belastinginkomsten. In Nederland is in de belastingwetgeving sprake van het draagkrachtbeginsel, dat inhoudt dat personen met een hoog inkomen naar verhouding (in procenten) meer belasting betalen dan personen met een laag inkomen.
We kennen indirecte belastingen (deze worden niet rechtstreeks geheven bij de uiteindelijke belastingbetaler, maar via een derde, zoals bijvoorbeeld een winkelier). Een goed voorbeeld daarvan is de BTW, die door de winkelier op de prijs moet worden gezet en vervolgens door de winkelier aan de overheid moet worden afgedragen. Andere voorbeelden zijn accijnzen en milieubelasting. Naast de indirecte belastingen kennen we de directe belastingen, zoals de wegenbelasting en de inkomstenbelasting.
Iedereen die inkomsten heeft (uit Kapitaal, Arbeid, Natuur en Ondernemerschap) betaalt inkomstenbelasting volgens het zogenaamde boxenstelsel. Dit stelsel deelt de verschillende inkomsten in in drie verschillende boxen: box 1 voor inkomen uit werk en woning, box 2 voor inkomen uit aanmerkelijk belang (winstuitkeringen uit bedrijven) en box 3 voor inkomsten uit sparen en beleggen. Iedere box kent, na aftrek van bepaalde heffingskortingen, over het overblijvende belastbaar inkomen een eigen belastingtarief. Zo kent box 1 een progressief schijventarief waarbij de belastingbetaler procentueel steeds meer belasting betaalt naarmate men meer inkomen heeft. In de andere boxen betaalt men over het belastbare inkomen vaste tarieven.

Ad 4. Economische politiek. De overheid heeft een aantal speerpunten/doelstellingen in haar beleid geformuleerd waarmee men de economie wil beÔnvloeden. Men heeft de volgende 6 doelstellingen geformuleerd:

- Zorgen voor voldoende werkgelegenheid door middel van werkloosheidsbestrijding (zoals bijvoorbeeld het verstrekken van subsidies aan bedrijven die langdurige werklozen in dienst nemen).
- Zorgen voor voldoende groei van het nationaal inkomen door het stimuleren van investeringen door het bedrijfsleven.
- Zorgen voor een rechtvaardige inkomensverdeling door het heffen van progressieve belastingen waarmee de inkomensverschillen worden verkleind (nivelleren).
- Zorgen voor een leefbaar milieu door het stellen van milieubeleid (waaronder het verbieden van milieuvervuilende activiteiten of het heffen van belasting op milieuvervuilende
activiteiten).
- Zorgen dat de inflatie beperkt blijft.
- Zorgen voor een goede verhouding tussen import en export, dit laatste door bijvoorbeeld te zorgen voor een goede infrastructuur.

Natuur en Milieu (EC/K/8)
Bij dit examenonderdeel staan de volgende hoofdbegrippen centraal:
1. Consumeren en milieu
2. Produceren en milieu
3. Overheid en milieu

Ad 1. Consumeren en milieu. De mens consumeert (gebruikt producten en diensten) en bij de productie van de te consumeren producten of diensten wordt energie verbruikt. Deze energie is niet onuitputtelijk (we moeten dus zuinig zijn met energie) en is ook niet ongevaarlijk voor het milieu waarin de mens leeft (we moeten ook zoeken naar alternatieve energiebronnen, zoals zonne-energie, windenergie en waterenergie).
Milieu-organisaties zoals milieukeurmerk, Greenpeace, Stichting Natuur en Milieu en Milieudefensie, vragen aandacht voor het milieu en dringen aan op milieuvriendelijk gedrag van zowel producent als consument, zoals recycling (hergebruik van glas, statiegeld heffen en GFT-compost).

Ad 2. Produceren en milieu. Zoals al bij ad 1 aangegeven, wordt bij het produceren energie
verbruikt. Tevens wordt afval geproduceerd, dat eveneens schadelijk kan zijn voor het milieu. Er moet meer aandacht worden besteed aan afvalverwerking en de overheid wil dit bijvoorbeeld bewerkstelligen door afvalstoffenheffing. Door CO2-uitstoot wordt de ozonlaag aangetast en kunnen milieurampen ontstaan.

Ad 3. Overheid en milieu. De kosten die de overheid moet maken om afval van onbekenden op te ruimen noemen we maatschappelijke kosten. Omdat de overheid deze kosten via de belastingen weer terug zal halen, betalen wij deze kosten uiteindelijk zelf. Het Ministerie van VROM houdt zich bezig met het vraagstuk van het milieu. Dit ministerie heeft een milieunota opgesteld, waarin verwoord wordt hoe men de vraagstukken op zowel korte als lange termijn denkt op te lossen. Er zijn milieueisen gesteld, zoals het heffen van milieubelasting of een milieutoeslag en tegenwoordig moet voor het opruimen van bijvoorbeeld plastic producten bij de aanschaf al een verwijderingsbijdrage worden betaald.

Verrijkingsdeel (EC/V/1)
LET OP: Dit hoofdstuk is alleen bestemd voor de Gemengde en Theoretische leerweg.

Het begrotingstekort en de toename van de staatsschuld ontstaan doordat de kosten van de overheid hoger zijn dan de opbrengsten.

De opbrengsten bestaan uit:
∑ BTW
∑ Accijns
∑ Loon- en inkomstenbelasting
∑ Houderschapsbelasting
∑ Vennootschapsbelasting
∑ Gemeentelijke belastingen
∑ Niet-belastingmiddelen

De overheid wil de staatsschuld gaan aflossen. Op dit moment is de staatsschuld maar liefst 240 miljard euro. De rente die hierover betaald wordt, is ongeveer 13,2 miljard euro per jaar.
De overheidsuitgaven worden grotendeels bepaald door de ministeries. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geeft het meeste geld uit.

De overheid heft belasting volgens twee beginselen:
∑ Het profijtbeginsel: de gebruiker betaalt ongeacht zijn inkomen. Dit beginsel wordt vooral gebruikt bij retributies.
∑ Het draagkrachtbeginsel:mensen met een hoog inkomen betalen meer dan mensen met
een laag inkomen. Denk hierbij aan de loon- en inkomstenbelasting.

We hebben in Nederland een progressief belastingstelsel. Je betaalt procentueel meer belasting naarmate je meer verdient.
Sinds 2001 zijn de belastingen verdeeld volgens het boxenstelsel. Over de belasting die je per box moet betalen doe je elk jaar aangifte. Jongeren vullen het Tj-biljet in.

∑ Box 1: al het inkomen uit werk en woning.
∑ Box 2: belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (als iemand ten minste 5% van een BV of NV bezit).
∑ Box 3: belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

Niet iedereen verdient even veel. De hoogte van je inkomen hangt af van je opleiding, je leeftijd, je ervaring, de vraag naar je beroep en de verantwoordelijkheid die je krijgt.
Het loon dat je krijgt als je werkt, noemen we het primair inkomen. De winst van een bedrijf is ook primair inkomen. Alle primaire inkomens bij elkaar vormen het nationaal inkomen. Het nominaal nationaal inkomen is het nationaal inkomen uitgedrukt in geld. In 1999 was dit 340 miljard euro. In 2004 was het
416 miljard euro.
Als het nationaal inkomen stijgt, kan niet altijd iedereen meteen meer kopen. Als de prijzen in de winkels net zo hard stijgen, blijft de koopkracht gelijk.
Uitkeringen worden bekostigd door de mensen met een primair inkomen. Er staat geen prestatie tegenover een uitkering. Uitkeringen noemen we daarom secundair inkomen.
De welvaart wordt onder andere gemeten met het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking.
Dit is geen heel erg precieze manier om dit te berekenen. Niet iedereen heeft evenveel inkomen.
Ook voorzieningen als gezondheidszorg, goede scholen en een schoon milieu dragen bij aan de welvaart.
De overheid oefent invloed uit op de welvaart en de welvaartsverdeling door sociaal-economische politiek. Uitgangspunten hierbij zijn:

∑ Economische groei
∑ Redelijke inkomensverdeling
∑ Voldoende werkgelegenheid
∑ Milieuvriendelijke productie en consumptie
∑ Een evenwichtige betalingsbalans
∑ Behoud koopkracht van de euro

De overheid probeert de inkomens in Nederland te nivelleren, meer gelijk te maken voor iedereen.
Ook wil de overheid een zo laag mogelijke inflatie. Inflatie is het stijgen van de gemiddelde prijzen.
Die stijging kan ontstaan door een aantal dingen:
∑ Kosten van bedrijven worden hoger door bijvoorbeeld duurdere grondstoffen. Dit noemen we kosteninflatie.
∑ Het gaat (te) goed met bedrijven. Als de vraag erg hoog wordt, verhogen bedrijven de prijzen. Dit heet bestedingsinflatie.

Gevolgen van inflatie zijn onder andere:
∑ Het leven wordt duurder. Als het loon niet meestijgt met de prijzen, daalt de koopkracht.
∑ Bedrijven raken klanten kwijt door de hogere prijzen. Dit kan leiden tot ontslagen en werkloosheid.
∑ Sparen wordt minder aantrekkelijk. Het geld wordt namelijk steeds minder waard, bij hoge inflatie kun je het dus beter uitgeven.

Om de koopkracht toch te behouden kan er prijscompensatie worden toegepast. Bij 100% prijscompensatie stijgt je inkomen evenveel als de inflatie.

Tot slot
Deze samenvatting is slechts een hulpmiddel bij het leren van je examen. Vertrouw niet alleen hierop, maar pak ook je boeken erbij.

Veel succes bij het eindexamen!

Laatst gewijzigd op 08-05-2006 om 18:20.
Met citaat reageren
Oud 08-05-2006, 18:18
leipo
leipo is offline
o ja en als je examens wil gaan oefenen neem die van 2005 die lijkt het er meest op de andere gaan over totaal andere onderwerpen die dit jaar niet voorkomen
Met citaat reageren
Oud 08-05-2006, 19:31
oOLittle-DreamO
Avatar van oOLittle-DreamO
oOLittle-DreamO is offline
Mijn economieleraar beweerd dat vmbo Kader geen V1 en V2 hoeven te leren. Weet iemand of dit klopt?
Die hoofdstukken heeft mijn economieleraar dus ook niet behandeld.

EDIT: Laat maar, ik had in de tekst eroverheen gelezen, het hoeft dus niet!
Met citaat reageren
Oud 09-05-2006, 17:13
bagel
Avatar van bagel
bagel is offline
je bent mn held

ik wist dat het iets met natuur was.. maar ik kon er niet meer opkomen..

merci
Met citaat reageren
Oud 18-05-2006, 14:50
hanneke89
hanneke89 is offline
Ik heb van economie het boek percent, weet iemand of het klopt dat je daarvan hoofdstuk 7 t/m 18 moet leren?!
Met citaat reageren
Advertentie
Reageren

Topictools Zoek in deze topic
Zoek in deze topic:

Geavanceerd zoeken

Regels voor berichten
Je mag geen nieuwe topics starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag geen bijlagen versturen
Je mag niet je berichten bewerken

BB code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Spring naar

Soortgelijke topics
Forum Topic Reacties Laatste bericht
Huiswerkvragen: Cultuur, Maatschappij & Economie Economie Plakboek
Hassan A.
2 15-02-2006 12:40
Studeren Economie vs Bedrijfskunde
Sovietska
39 24-06-2005 18:58
Verhalen & Gedichten Columnwedstrijd: Economie
Ieke
0 15-02-2005 16:58
Levensbeschouwing & Filosofie Economie
JackieZ
46 28-12-2004 17:11
Huiswerkvragen: Cultuur, Maatschappij & Economie Simpel of net niet: wat is economie?
clubje
9 10-03-2004 10:29
Levensbeschouwing & Filosofie Economie
Riconoscente
23 13-06-2003 19:56


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 17:38.