Door gebruik te maken van Scholieren.com of door hiernaast op ‘akkoord’ te klikken, ga je akkoord met onze gebruiksvoorwaarden en geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Als je niet alle cookies wilt toestaan, ga dan naar ‘instellingen aanpassen’ om dit in te stellen. Ben je jonger dan 16 jaar? Zorg dan dat je toestemming hebt van je ouders om onze site te bezoeken. Hier lees je alles over hoe wij omgaan met je privacy.

Oud 30-01-2003, 17:38
Toet0r
Avatar van Toet0r
Toet0r is offline
weet iemand dat zinnetje in het oud nederlands, iet sover vogeltjes met een nestje ofzow...ik hoop dat je weet wat ik bedoel...

ik wee trouwens niet of ik dit hier neer mag zetten, maar ikwil graag dit zinnetje weten
Met citaat reageren
Advertentie
Oud 30-01-2003, 18:23
martijn1985
Avatar van martijn1985
martijn1985 is offline
hebban olla vogala nestas higunnan, hinase ick ende thu. Wat unbidan we nu?
__________________
I hope to see my friend, and shake his hand. I hope the Pacific is as blue as it has been in my dreams. I hope.

Laatst gewijzigd op 31-01-2003 om 15:31.
Met citaat reageren
Oud 30-01-2003, 18:41
faan
Avatar van faan
faan is offline
wat is de vertaling ervan? (ik snap niet wat je bedoeld met "Wat wachten we nu?")
__________________
Fy fan fitta! Jag behöver kuk!
Met citaat reageren
Oud 31-01-2003, 13:46
martijn1985
Avatar van martijn1985
martijn1985 is offline
vertaling:

Alle vogels zijn begonnen met hun nest, behalve jij en ik. Waarop wachten we dan nog?
__________________
I hope to see my friend, and shake his hand. I hope the Pacific is as blue as it has been in my dreams. I hope.
Met citaat reageren
Oud 31-01-2003, 15:13
faan
Avatar van faan
faan is offline
lol ik vind oud Nederlands leuker
Moet je het ook gewoon uitspreken als op de manier die nu gangbaar is in het Nederlands? Klinkt leukkkkk!
__________________
Fy fan fitta! Jag behöver kuk!
Met citaat reageren
Oud 31-01-2003, 15:19
barkrukkie
barkrukkie is offline
Ik dacht dat het zo was:

hebban olla vogala nestas higunnan, hinase ick ende thu. Wat unbidan we nu?
(klonk zoiets volgens mij, maar weet niet zeker )
__________________
[spAm]
Met citaat reageren
Oud 31-01-2003, 15:30
martijn1985
Avatar van martijn1985
martijn1985 is offline
@barkrukkie: klopt! ik herinnerde het me al niet helemaal goed meer...unbidan idd...
__________________
I hope to see my friend, and shake his hand. I hope the Pacific is as blue as it has been in my dreams. I hope.
Met citaat reageren
Oud 31-01-2003, 16:46
Toet0r
Avatar van Toet0r
Toet0r is offline
jeej! dank je!

echt een geweldig zinnetje!


mijn dank is groot
Met citaat reageren
Oud 05-02-2003, 19:49
REIE
Avatar van REIE
REIE is offline
Citaat:
*~ Toeter ~* schreef:

echt een geweldig zinnetje!

Vind ik ook!

Dit gedichtje was vermoedelijk een pennenproef, dus neergezet om de ganzenveer te testen. Het komt uit de 11de eeuw.

@barkrukkie en Toeter:

-Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu
-Hebban olla vogola nestas hagunnan hinase hic anda thu wat unbidan we nu?
-Hebban olla uogala nestas bigunnan hinase hi[c]
[e]nda thu uug .....umbiada ....e nu
-Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi[c]
[e]nda thu uu[at] unbida[t] g[h]e nu.

http://www.xs4all.nl/~ace/vogala.html



REIE
__________________
Nu zal ik doden u beide, Elegast u ende uw paard. Ten zi dat gi ter vaart, Nederbeet optie moude: Zo mag uw ors t lijf behouden.
Met citaat reageren
Oud 05-02-2003, 20:11
dinkie
Avatar van dinkie
dinkie is offline
Hoi, ff een stukje uit mijn literatuurboek:

het oudste zinnetje in een Nederlands dialect dat bewaard is gebleven, werd in 1934 bij toeval ontdekt door een Engelse geleerde in Oxford. Het zinnetje luidt: Habban olla vogala nestas hagunnan hinase hic ende thu (Hebben alle vogels nesten begonnen behalve jij en ik). Waarschijnlijk dateert het zinnetje uit de 11e eeuw. Het is een vertaling van de latijnse zin die erboven staat.
Met citaat reageren
Oud 08-02-2003, 18:15
Toet0r
Avatar van Toet0r
Toet0r is offline
gaaf!! echt grappig dat iedereen dat kent!
Met citaat reageren
Oud 17-02-2003, 21:47
Shygirl
Hey allemaal.. kunnen jullie me helpen om een samenvatting te maken van het volgende :

Op een dag omstreeks het jaar 1100 hadden de monniken van de abdij van Rochester in het Engelse graafschap Kent nieuwe inkt gemaakt en nieuwe pennen gesneden uit vogelveren. Om hun schrijfgerei uit te proberen schreven ze op een bladzijde van een boek allerlei flarden tekst op die hun toevallig te binnen schoten.

De geschiedenis van de Nederlandse taal begint met een liefdesliedje.
Dit kleine stukje Oudnederlands werd in 1932 in Oxford ontdekt door een Engelse geleerde. Het staat op een los stuk perkament dat door een latere eigenaar is gebruikt om een boekband te verstevigen. Na negen eeuwen was de inkt hier en daar vervaagd; wat met het blote oog niet te lezen was, moest zichtbaar worden gemaakt met behulp van foto’s en blauwfilter en een sterke lamp. De letters tussen haakjes zijn reconstructies, deze bleven onleesbaar.
Hoe weten we dat de schrijver van deze zinnetjes uit West-Vlaanderen kwam? Dat is onder meer af te leiden uit zijn problemen met de klank h: hij schrijft hic in plaats van ic en abent in plaats van habent. Nog steeds kun je in West-Vlaanderen horen: “Dat is hoed” (“Dat is goed”) en “Honze vader die in d’emelen zijd”
Zijn deze elfde-eeuwse zinnetjes nu Nederlands? Aan de ene kant klinken ze vertrouwd: de eerst regel lijkt zo sterk op modern Nederlands dat de betekenis ervan wel te raden is. Aan de andere kant zien ze er vreemd uit, om te beginnen door de spelling: omdat de schrijver het Latijnse alfabet gebruikt, dat geen w kent, spelt hij we en wat met een dubbele u: uue en uuat. Hij gebruikt woorden die wij niet meer kennen, tenminste niet in deze vorm (unbidan, hinase) en vreemde meervouden: zijn vogala zijn onze vogels, zijn nestas onze nesten. Kunnen we dit wel Nederlands noemen?

De oudste Nederlandse teksten dateren uit de tiende eeuw. In die tijd zouden we dus ook de geschiedenis van de Nederlandse taal kunnen laten beginnen. Dat doen we echter niet. Nederlands werd ongetwijfeld al lang gesproken voordat iemand er iets in opschreef. Nederlands dat verschilde van de taal van de West-Vlaamse monnik uit Rochester, zoals zoals de taal van graaf Floris V uit de dertiende eeuw verschilt van die van koning Willem I uit de negentiende en koningen Beatrix uit de twintigste, want talen veranderen nu eenmaal altijd en overal. Van de taal die in deze streken gesproken werd vóór de oudste Nederlandse teksten werden geschreven, is wel degelijk het een en ander bekend of te reconstrueren; het is dus niet nodig pas in de tiende eeuw te beginnen.
Het is echter de vraag of het Nederlands van 1000, of 900, of nog eerder, met recht Nederlands genoemd mag worden. Een voorbeeld verduidelijkt het probleem. Toen de Romeinen zich rond het begin van onze jaartelling in grote delen van Europa vestigden, namen ze hun taal, het Latijn, met zich mee. In de gebieden die onder Romeins bestuur stonden, veranderde deze taal in de loop der eeuwen in verschillende talen. Frans is modern Latijn, maar Portugees, Italiaans, Roemeens, Spaans en Catalaans zijn dat evengoed.
Het is niet eenvoudig aan te geven, wanneer het Latijn precies in het Fransveranderde. En als er toch een tijdstip wordt vastgesteld, dan is dat het resultaat van overwegingen achteraf: de taalgebruikers zelf zullen zo’n breuk niet hebben ervaren, die gingen niet van de ene dag op de andere een nieuwe taal spreken. Wat voor het Frans geldt, is nog sterker van toepassing op het Nederlands: de taal waaruit het Nederlands zich ontwikkeld heeft, is namelijk niet bekend, hoewel er op grond van taalvergelijkend onderzoek wel iets over te zeggen valt.
Het is zelfs maar de vraag of de liedregels over de vogels en hun nestjes uit de elfde eeuw al tot Nederlands gerekend mogen worden. Het Nederlands van nu bestond in de elfde eeuw nog niet. Acht eeuwen taalverandering hebben de taal uit die tijd voor een groot deel ontoegankelijk gemaakt: wie een Oudnederlandse tekst probeert te lezen, stuit op onbekende klanken, woorden en zinsconstructies. Bovendien bestond er nog geen Nederlands zoals we dat nu gewend zijn: een algemene taal, die de dialecten overkoepelt, die onderwezen wordt op school en die het culturele medium bij uitstrek is in het Nederlandse taalgebied in Nederland en Vlaanderen.
Er bestonden alleen dialecten, die – net als die dialecten van tegenwoordig – onderling meer of minder verstaan konden worden en meer of minder verwant waren. De oudste Nederlandse teksten zijn geschreven in een plaatselijk dialect. Als we deze oude teksten Nederlands noemen, bedoelen we niet meer dan dat ze in dialect zijn geschreven die met elkaar verwant waren en die gesproken werden in het gebied waar in de loop der eeuwen een algemene taal, het Nederlands, naast, boven en soms zelfs in de plaats van deze dialecten is ontstaan.
Voor we dat oudste Nederlands van dichterbij gaan bekijken, dalen we naar het verste verleden van onze taal.

Welke taal is de oudste? Vanaf het moment dat mensen begonnen na te denken over taal, hebben ze zich deze vraag gesteld. Maar hoe het antwoord te vinden? Volgens een oud verhaal loste de Egyptische koning Psammeticus het probleem zeven eeuwen voor onze tijdrekening op door twee kinderen in volstrekte stilte en afzondering te laten opgroeien, terwijl hij in spanning wachtte op hun eerste, spontane woorden. Het eerste woord dat de kinderen uitspraken was bekos, want bij navraag het Frygische woord bleek voor “brood”. Dus, redeneerde Psammeticus, was het Frygisch de oudste taal ter wereld. Die conclusie was even onjuist als de methode: de moedertaal van Psammeticus zelf, het Egyptisch, is ouder dan het Frygisch.
In de middeleeuwen werd algemeen aangenomen dat alle mensen Hebreeuws spraken voordat God hen met wederzijdse onverstaanbaarheid strafte omdat ze een toren in de hemel wilden bouwen. De bijbelse geschiedenis van de Toren van Babel verklaarde de bestaande verscheidenheid aan talen afdoende. Na het Hebreeuws hadden het klassieke Grieks en Latijn de oudste aanspraken, daarna volgden de volkstalen.
Dat niet alle talen evenveel van elkaar verschilden, zag men al vroeg in. De Romaanse talen, zoals Frans, Italiaans en Spaans, waren verwanten, zie drie zusters van een illustere moeder: het Latijn. Het zou echter tot het einde van de achttiende eeuw duren voor iemand die talen een plaats gaf in een veel grotere familie. De eer van die ontdekking komt toe aan een Britse opperrechter in Calcutta, William Jones, die gefascineerd was door de oudste Indiase taal, het Sanskriet, en de eeuwenoude religieuze en literaire teksten die in die taal zijn opgetekend. De rol van het Sanskriet, dat teruggaat tot 1000 voor Christus, is vergelijkbaar met die van het Latijn in de westerse middeleeuwen en renaissance: het was de taal van de priesters en geleerden.
Op 2 februari 1786 verkondigde William Jones in een lezing voor de Asiatic Society of Bengal dat de overeenkomsten tussen woorden en de zinsbouw van het Sanskriet enerzijds en die van het Latijn en het Grieks anderzijds zo groot waren, dat ze niet door toeval veroorzaakt konden zijn. De conclusie was voor hem onontkoombaar: al deze talen moeten een gemeenschappelijke voorouder hebben. Aan dezelfde stam zijn ook, meende Jones, Keltisch, Oudperzisch en de oude Germaanse taal Gotisch ontsproten.

Door naar regelmatige overeenkomsten tussen talen te speuren (een heel wat verfijndere methode dan die van Psammeticus!) hebben latere taalkundige de ontdekking van Jones verder uitgewerkt. Ze kijken daarbij meestal naar overeenkomsten tussen klanken. Als in een lange reeks Nederlandse en Engelse woorden de v correspondeert met de f (vol en vader naast full en father) wijst dat erop dat deze talen in oorsprong een eenheid vormden Nederlands en Engels zijn, net als Fries, Duits en de Scandinavische talen, Germaanse talen.
We kunnen nog een stap verder gaan, door aan de hand van zulke overeenkomsten de oorspronkelijke klank te achterhalen. Zo kunnen we zelfs woorden reconstrueren in oertalen waarin geen enkel geschrift bekend is. Om bij het voorbeeld te blijven: als ook andere Germaanse talen bij de vergelijking worden betrokken, blijkt dat de f de oudste rechten heeft, dus dat het nergens opgeschreven Germaanse woord waaruit vader, father en Vater zijn ontstaan, begon met een f. Dat een woord gereconstrueerd is, wordt aangegeven met een sterretje: *father.
Op dezelfde manier kan worden aangetoond dat de Germaanse talen verwant zijn met andere taalgroepen. Het Latijnse woord voor ‘vader’ is pater. De p waarmee dit woord begint, is bewaard gebleven in dochtertalen van het Latijn: père in het Frans, padre in het Italiaans. Romaanse talen moeten daarom ook verwant zijn met Germaanse talen. En omdat het Oudindische woord ‘vader’ pitar is, kan met zekerheid worden aangenomen dat ook deze taal familie is van het Romaans en het Germaans, en dat het woord voor ‘vader’ in een nog vroeger stadium, dat we Indo-europees noemen, ook met een p begint.
Voor de beschrijving van de prehistorie van een taal is deze vergelijkende methode de belangrijkste pijler, maar taalkundigen putten hun informatie over de geschiedenis van talen ook uit andere bronnen, zoals archeologische vondsten of vermeldingen in anderstalige geschriften. Aardrijkskundige namen en persoonsnamen bieden eveneens aanvullende gegevens: veel namen zijn ontstaan lang voordat ze voor het eerst op schrift werden gesteld. Zo bewaart de naam van de Rijn het Keltische woord voor ‘stroom’ e herbergen Apeldoorn en Appeltern het Oudnederlandsche woord voor appelboom, apuldra.

Aan de Indo-europese familie zijn sinds de ontdekking van William Jones veel leden toegevoegd. Alles Europese talen – behalve Baskisch, Fins, Hongaars en Estisch – zijn Indo-europees, maar veel Aziatische talen ook. De dode taal van de Hittiten hoort erbij, een volk van tweeduizend jaar voor onze tijdrekening in het huidige Turkije en Syrië leefde; Albanees, Armeens n Grieks, alle drie aparte takken van het Indo-europees; Lets en Litouws, de Baltische talen; de Slavische, waaronder Servokroatisch, Tsjechisch, Pools en Russisch.
Indo-europees zijn ook Keltische talen, die eens gesproken werden in grote delen van Europa, maar nu teruggevonden zijn naar de grenzen van Frankrijk (Bretons), Engeland (Welsh en het Schotse Gaelic) en Ierland (Iers). Uit een andere tak van het Indo-europees ontwikkelden zich Iraanse talen als Perzisch en Kurdisch, en Indische als het uitgestorven Sanskriet en het moderne Hindi, Gujarati, Sangalees (de officiële taal van Sri Lanka) n – eveneens uit India afkomstig – de zigeunertaal Romany.
Gelet op het aantal sprekers is de Indo-europese taalfamilie de succesrijkste ter wereld. In de top-10 van talen met het grootste aantal moedertaalsprekers zijn er zeven van Indo-europese afkomst: Engels, Spaans, Hindi, Bengali, Russisch, Portugees en Duits. De drie resterende plaatsten worden bezet door chinees, Arabisch en Japans.
Al deze talen, die gesproken worden van IJsland tot India, en sinds de kolonisatie vanaf de zestiende eeuw ook in Noord- en Zuid-Amerika, Australië en Afrika, zijn nakomelingen van de Indo-europese oertaal, die tegenwoordig doorgaans ‘Proto-Indo-europees’ wordt genoemd. Voorheen werden ook de termen Indogermaans en Oer-Ondigermaans gebruikt, zoals het oervolk van de Indo-europeanen ook wel als Ariërs werd aangeduid.
Op archeologische gronden nemen de meeste geleerde aan dat het Indo-europees de taal was van een volkengroep die is geïdentificeerd met de Kurgan-cultuur. Die cultuur ontwikkelde zich in het vijfde millennium voor onze jaartelling in de steppen ten noorden van de Kaspische Zee. De naam is afgeleid van het Russische woord voor ‘grafheuvel’, kurgan, naar de typerende gewoonte van dit volk om hun doden in grafheuvels te begraven.
De sprekers van her Proto-Indo-europees, dat ongetwijfeld al eigen dialecten kende, hebben geen geschriften nagelaten, maar door afstammelingen van hun taal te bestuderen en te kijken welke woorden ze gemeen hebben, kunnen we iets te weten komen over de herkomst en cultuur van de Indo-europeanen. Als in het Proto-Indo-europees een woord gereconstrueerd kan worden, zal immers ook de zaak waar dat woord naar verwijst bekend zijn geweest, Zo blijkt dat de halfnomadische Indo-europeanen geen woord kenden voor stad. Ze bedreven landbouw, getuige woorden voor zaaien en ploegen. Ze hielden huisdieren: koeien, schapen, geiten, paarden, varkens en honden. Ezels en kippen kenden ze niet. Er is ook een woord voor wagen en wie; die wagens werden getrokken door ossen.
Met hun ossenwagens en gezeten op hun paarden trokken ze vanaf het vierde millennium voor Christus naar India en Europa. Een van de talen die voor hun komst werden gesproken in Europa is het Baskisch, een taal zonder verwanten, overgebleven in de onherbergzame Pyreneeën. In het derde millennium voor Christus bereikten sprekers van het Indo-europees Scandinavië, de Nederlanden en Noord-Duitsland. In dit gebied ontstond het Germaans.

In het noorden van Europa, aan de rand van de bekende wereld, zo wisten de oude Grieken en Romeinen, woonden in duistere eikenwouden en op drassige, door de zee bedreigde gronden de Germanen. Waar hun naam vandaan komt, is niet zeker. Eén kamp ziet er een van afkomst Keltisch woord in dat ‘schreeuwers’ betekent en verwant is met ons kermen, een ander kamp leidt het af van het Latijnse woord voor ‘broeder’, germanus.
De taal die de Germanen spraken, al lang voor ze in aanraking kwamen met de Romeinse beschaving, is verdwenen. Zeker is dat het Germaans zich van de andere Indo-europese taalgroepen ging onderscheiden, een ontwikkeling die tot ongeveer et begin van onze jaartelling duurde; pas in de eerste eeuwen van onze tijdrekening beginnen bínnen het Germaans verschillende talen te ontstaan.
De klanken en de klemtoon van het Germaans wijken af van die van de Indo-europese moedertaal. Om te beginnen zijn de Indo-europese medeklinkers systematisch veranderd. We zagen al dat de p in het oudste Germaans een f is geworden: het Latijnse pater is het Engelse father, piscis komt overeen met fish. Om nog een voorbeeld van deze verschuiving te geven: de Indo-europese b en d veranderen in p en t ; vergelijk het Latijnse labium met lip en het Latijnse duo met twee. Ook in dit geval heeft het Latijn dus de oudste vormen bewaard. Dit geheel van veranderingen, de zogenaamde Germaanse klankverschuiving, werd ontdekt door de taalkundige Jakob Grimm, bij een groter publiek beter bekend als sprookjesverzamelaar.
Ook de klemtoon veranderde. De wisselende Indo-europese klemtoon werd vervangen door een vaste klemtoon op de eerste lettergreep. In het oudste Latijn lag in patér de klemtoon op de tweede en in fráter op de eerste lettergreep. In het oudste Germaans hebben beide woorden de klemtoon op de eerste lettergreep, zoals nu nog in het Nederlands: váder en bróeder. Germaanse dichters maakten gebruik van die accentuering van de eerste lettergreep in de vorm van alliteratie of stafrijm. Drie van die vier beklemtoonde lettergrepen in een versregel beginnen met dezelfde klank en maken zo de regel tot een hecht geheel: ‘Stafrijmen zijn gelijk Stapstenen, waarop men Steunt met de Stemme’ (Gezelle). Een voorbeeld is de runenspreuk op de gouden hoorn uit de vijfde eeuw die werd gevonden in Gallehus (Sleeswijk). Dit is de oudste overgeleverde Germaanse Dichtregel. De letter H werd uitgesproken als ch.
Door de klemtoonverschuiving naar de eerste lettergreep veranderde het ritme: de runenspreuk met zijn drie zwaar aangezette lettergrepen klinkt heel anders dan de korte en lange lettergrepen gekenmerkte hexameters uit de klassieke epen van Komerus van Vergillius. Er gebeurde ook iets anders: het niet langer beklemtoonde woordeinde sleet geleidelijk af. De o van tawido (verwant met ons tooide) is op den duur veranderd in een stomme e. Taalkundigen noemen zo’n stomme e een sjwa (het woord rijmt op bah). Die neiging in een stomme e te veranderen bezitten niet-beklemtoonde klinkers nog steeds: weinig mensen spreken alle a’s in banaan en ananas uit, de meeste zeggen benaan en anenas.
Omdat het woordeinde vaak belangrijke grammaticale informatie bevatte (het liet bijvoorbeeld zien in welke naamval een zelfstandig naamwoord stond), begon al in de oudste fase van het Germaans de rijke Indo-europese flexie (de verbuiging van de naamwoorden en de vervoeging van de werkwoorden) langzaam te verdwijnen, een proces dat in onze tijd nog niet voltooid is.

Het in nevelen gehulde Germanenrijk, dat de Romeinen alleen kenden uit legendarische verhalen van dappere of uit de koers geraakte reizigers, kreeg een nieuwe betekenis toen een ambitieuze veldheer zich vanaf 58 voor Christus een weg baande naar het noorden. In dat jaar marcheerde Julius Caesar met zijn legioenen Gallië binnen, het huidige Frankrijk en België. Caesar beschreef zijn veldtochten in De Bello Gallico ( ‘Gedenkschriften over de Gallische Oorlog’): met zijn komst doen de Nederlanden hun intrede in de geschiedschrijving.
In het noorden van Gallië stuitte Caesar op de Belgae, een verzameling Keltische stammen. Caesar noemde hen de dappersten van de Galliërs, ‘omdat zij het verst verwijderd zijn van de beschaving en de cultuur van de Provence, omdat de kooplui hen slechts zeer zelden opzoeken en er bijna geen artikelen invoeren die de verwijving in de hand werken’ .
Ten noorden van de Belgae en aan de gene zijde van de Rijn, die Caesar tot noordgrens van het Imperium Romanum had verklaard, leefden Germanen, woeste krijgers die een voortdurende bedreiging vormden voor de nieuw verworven rijksdelen. De geschiedschrijver Tacitus – die echter zelf Germania nooit bezocht en slechts over informatie ut de tweede hand beschikte – beschrijft de Germanen als grote blonde, blauwogige barbaren, dapper en kuis, maar tevens verslaafd aan dobbelen en drank. Zij bewonen een land van ‘ijselijke wouden en afschuwelijke moerassen’.
De Romeinen bouwden villa’s in de nieuwe provincie Gallia Belgica, maar vooral legden ze wegen en vestingen aan. De cultuur van de overwinnaars vermengde zich met de inheemse tot een ‘Galo-Romeinse’ beschaving; de bewoners verruilden hun Keltische taal voor Vulgair-Latijnse omgangstaal van de Romeinen. Enkele nederzettingen, zoals Tongeren, Maastricht en Nijmegen, groeiden uit tot grotere plaatsen. Pogingen om landen aan de overzijde van de Rijn te veroveren, hadden geen blijvend succes.
Om de invallen van de Germanen het hoofd te bieden, vertrouwden de Romeinen de bewaking van de grenzen toe aan de Germaanse ‘bondgenoten’. Romeinse legioenen gingen meer en meer uit Germaanse soldaten bestaan.
De risico’s van deze politiek werden de Romeinen gevoelig duidelijk gemaakt in 9 na Christus, toen Arminius, officier in de Germaanse hulptroepen, in het Teutoburgerwoud drie Romeinse legioenen in een hinderlaag lokte. De legende wil dat keizer Augustus hierop in slapeloze nachten zijn verslagen generaal toeriep: ‘Varus, Varus, geef mij mijn legioenen terug!’
Ook Julius Civilis, de eenogige aanvoerder van de Bataven die in 69 na Christus met andere Germaanse stam uit Neder-Saksen. Als bondgenoten van Rome kregen zij een woonplaats toegewezen tussen Rijn en Waal, het ‘insula Batavorum’, het eiland der Bataven – hun naam leeft voort in die van de Betuwe.
Deze massale volks- en troepenverplaatsingen misten hun uitwerking op de taal niet. In de eeuwen voor het begin van onze jaartelling werd in onze streken en ver daarbuiten nog een Keltische taal gesproken. Overblijfselen ervan vinden we in en paar plaatsnamen (Nijmegen, Doornik, de Rijn) en in een enkel woord als pink. De Germanen verspreidden zich vanuit de Noordduits-Groningse kuststreek via waterwegen naar het zuidwesten. Uiteindelijk werd het gebied tot Zeeland en Noord-Brabant geleidelijk Germaans.
Als Caesar toen niet Gallië was binnengetrokken, waren ook heel het tegenwoordige België en het noorden van Frankrijk Germaans geworden. In plaats daarvan werd het gebied ingelijfd bij het Imperium Romanum; dit luidde een romanisering in die tot de vierde eeuw na Christus zou duren en waarbij het Romaans tot voorbij Leie en Schelde, voorbij Brussel en Leuven en tot in Haspenggouw doorstootte.

De Romeinen Tacitus en Plinius verdeelden in de eerste van onze jaartelling de Westgermanen in drie groepen, allen nakomelingen van de mythische stamvader Mannus: de Ingweonen, die aan de Noordzee leefden van Gallië tot Denemarken, de Istweonen aan de Rijn en de Weser, en de Herminonen aan de Elbe. In navolgening van de klassieke geschiedschrijvers hebben taalkundigen vroeger wel drie Westgermaanse taalgroepen onderscheiden: Ingeweoons, Istweoons en Herminioons. Maar Plinius en Tacitus hadden het zeker niet over taalverschillen. Omdat een inleiding in stamverbanden ook wel iets zal zeggen over de talen die deze stammen spraken, maar vooral bij gebrek aan beter, houden we toch hun inleiding aan, maar soms met andere termen:
Noordzeegermanen: Friezen, Angelen en Saksen;
Rijn-Wesergermanen: Franken en Hessen ( in het noorden van Duitsland, het huidige Nederland en België en het noorden van Frankrijk);
Elbegermanen: Alemannen en Beieren.
De taal van de eerste twee groepen heeft een stempel gedrukt op het Nederlands.
Doordat de Westgermanen zich verspreidden over een uitgestrekt gebied, van Engeland tot Beieren, zijn hun talen steeds sterker uiteengegroeid. Zo ontstonden Oudengels, Oudfries, Oudsaskisch (of Oudnederduits), Oudhoogduits en Oudnederlands (of Oudnederfrankisch).
De geschiedenis van talen bestaat niet alleen uit geleidelijk en vreedzaam uiteengroeien; oorlogen en volksverhuizingen kunnen de ontwikkeling plotseling en krachtig in een bepaalde richting dwingen. Het Oudengels ontstond na de emigratiegolven van Angelen, Saksen en Jutten, die in de vijfde eeuw, na het vertrek van de Romeinse legioenen, de Britse eilanden overspoelden. De andere Oudgermaanse talen zijn alle op het Europese vasteland ontstaan.
Een van die talen was het Oudnederlands, de voorloper van het moderne Nederlands. Twee golven van veranderingen hebben het aanzien van die taal bepaald: een die zich van het westen naar het oosten verspreidde, een tweede die in het zuiden ontstond en naar het noorden opschoof.
Aan de kusten van de Noordzee ontstonden taalverschijnselen die taalkundigen Ingweoons noemen, naar de Noordzeegermanen van Tacitus en Plinius. Ingweoonse klanken en grammaticale eigenaardigheden hebben zich, met afnemende kracht, uitgebreid naar het oosten. Ze komen dus, maar in verschillende mate, voor in het Engels, het Fries, Het Nederlands en het Duits. Een voorbeeld zijn meervouden op –s.
Een ander golf van klankverschuivingen spoelde ongeveer vanaf het jaar 400 van de Alpen noordwaarts. Het gaat om een reeks Systematische veranderingen in de uitspraak van medeklinkers. Deze veranderingen breidden zich gedurende eeuwen, maar met afnemende kracht, naar het noorden uit. Het gebied waar deze verschuiving gewerkt heeft, wordt het Hoogduitse taalgebied genoemd; de Hoogduitse klankverschuiving drong niet door tot het Nederlands en het Nederduits ( de dialecten van het laaggelegen Noord-Duitsland). Behalve Ingweonismen heeft het Nederlands ook Saksische kenmerken opgenomen. De migratie van Saksische stammen naar het oosten en het contact met stammen doe niet aan de kust woonden, hebben ervoor gezorgd dat in het Oudsaskisch of Oudnederduits, het voorstadium van het Nederduits in het noorden van Duitsland, enige kenmerken voorkomen die elders onbekend zijn, maar ook dat enkele Ingweoonse kenmerken opgegeven werden.
Het Engels op de Britse eilanden en het Hoogduits zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden. Voor het Fries, het Nederlands en het Nederduits is niet alleen de onderlinge afbakening lastiger, maar door allerlei historische gebeurtenissen is de geschiedenis van deze talen met elkaar verweven. In de loop van de tijd zal het Fries in het westen aan het Nederlands, en in het noorden en het noordoosten aan het Nederduitse terrein prijsgeven, en zal het Nederlands een stuk van het Nederduitse gebied veroveren, maar er een ander stuk aan verliezen. Het geleidelijke prestigeverlies van het Nederduits zal ervoor zorgen dat het zich niet als een boven de Nederduitse dialecten aanvaarde taal kon handhaven. Als algemene taal werd het Nederduits vervangen door Hoogduits.

Niet alleen in de klanken deden zich in de eerste eeuwen van onze jaartelling ingrijpende verschuivingen voor. Tegelijkertijd beïnvloedden veldslagen en politieke machtswisselingen de geschiedenis van de taal. Het Nederlandse taalgebied kreeg geleidelijk vastere vorm door verdringen van het Keltisch en door de verovering door de Romeinen, die hun taal en cultuur meebrachten. Vanaf het einde van de derde eeuw drong echter ook het Germaans op als gevolg van Germaanse invallen. Die invallers waren Franken, maar de verzamelnaam ‘Franken’ (die in het Romaans de vrijen betekent) suggereert een verband tussen stammen dat waarschijnlijk in die tijd niet zo werd gevoeld, maar pas door latere geschiedschrijvers is gelegd.
Tegen het einde van de derde eeuw vestigden de Salliërs, de belangrijkste Frankische stam (ze gaven hun naam aan Salland), zich in de Betuwe en in de Scheldestreek, en in de vierde eeuw bewoonden ze ook Texandrië, tussen Tilburg en Eindhoven. Als bondgenoten van de Romeinen verdedigden ze de Rijngrens, een van de steeds rafeliger wordende grenzen van het Imperium Romanum, tegen andere Germanen. Andere groepen Franken sloten zich bij hen aan.
Nu volgen de eeuwen van de Grote Volksverhuizing, toen heel Europa een kolkende warboel was van elkaar verdringende stammen en volkeren. In 375 doken de Hunnen op hun paarden op uit de steppen van Midden-Azië, Goten, Vandalen, Angelen, Saksen en Franken kwamen in beweging en het Westelijke Romeinse Rijk stortte ineen onder de druk van de volkeren die de grenzen van het Imperium overspoelden.
Rond 430 verbrak een van de Frankische koningen, Chlodio, het contract met de Romeinen, die zich in 402 uit onze streken hadden teruggetrokken, en maakte zich in korte tijd meester van een groot gebied, waaronder een deel van het huidige België. Na de slag bij Soissons in 486 veroverde een andere Frankische koning, Chlodowing of Clovis (naar wie uiteindelijk alle Franse koningen Lodewijk vernoemd zijn), het tot dan Romaans gebleven deel van Gallië, waardoor het Frankenrijk tot aan de Loire werd uitgebreid. Clovis, stamvader van de Merovingers, was ook de eerste Frankische koning die erin slaagde de meeste Frankische stammen aan zich te onderwerpen.
Alleen de Friezen en de Saksen konden tegenwicht bieden aan de groeiende macht van de Franken. De invloed van de Friezen zou in de zevende eeuw in het zuiden hebben gereikt tot aan de Sincfal, nu het Zwin, tussen Cadzand en Knokke.
Hun kerngebied lag vanaf de Romeinse tijd tussen de mondingen van de Rijn en de Eems.
De Saksen woonden oorspronkelijk in Holstein. Vanaf de vierde eeuw ondernamen ze niet alleen plundertochten naar de Engelse kust, maar ook naar de kust van Gallië. In de tweede helft van de vijfde eeuw veroverden ze Engeland. In de zevende eeuw werd in de Nederlanden de IJsel de grens tussen Franken en Saksen. Nog steeds worden de dialecten van Groningen, Drente, Overijssel en Noord-Gelderland daarom wel ‘Saksisch’ genoemd De Saksische stammen tussen de Rijn en de Elbe werden in de loop van de achtste eeuw door de Franken onderworpen en vervolgens gekerstend. In de loop van de achtste eeuw, het tijdperk van de Merovingers en Karolingers, verwierven de Franken definitief de heerschappij in de Lage Landen.
Hun beroemdste leider is Karel de Grote, een man met een hangspoor en een schrille stem die niet bij zijn rijzige gestalte paste. Karel de Grote, die op kerstdag van het jaar 800 door paus Leo III tot keizer werd gekroond, onderwierp de Friezen en Saksen. De Friezen hadden nog in 754 de hoogbejaarde missionaris Bonifatius doodgeslagen, die heilige eiken liet omhakken en afgodsbeelden vernielde. Maar nu moesten ook zijn eraan geloven: de Friezen werden net als de Saksen met het zwaard tot het christendom bekeerd en hun talen werden in mindere (Fries) of in meerdere mate (Saksisch) door Frankisch beïnvloed.

In de eeuwen waarin Romeinen, Kelten en Germanen elkaar ontmoetten in de Lage Landen, ontstond ook de taalgrens doe tot pp de dag van vandaag, België in tweeën deelt. De wortels van de conflicten in de Voerstreek zijn dus bijna tweeduizend jaar oud.
Een inval van de Germanen in het oosten van Gallië vlak voor het begin van onze jaartelling was voor Caesar aanleiding dat gebied zelf binnen te trekken met zijn legioenen: de grens werd de Rijn. Vier eeuwen Romeinse overheersing remden de germanisering van het ‘Belgische’ gebied af. Grote delen van het huidige België en Duitsland waar nu Nederlands of Duits wordt gesproken, waren Romaans: niet alleen Wallonië, maar ook het zuiden van het Land van Waas, zuidelijk Vlaanderen, Brabant, Limburg en het zuiden van het aangrenzende Rijnland wielen binnen de Romeinse invloedsfeer. De taalgrens was niet alleen een geografische maar ook een sociale scheidslijn: in grote delen had alleen de elite zich de taal en gebruiken van de Romeinen eigen gemaakt. Deze streken bleven nog lang, ook na de verovering door de Franken, tot het Germaans-Romaanse menggebied behoren. Het militair sterk bezette grensgebied aan de Beneden-Rijn, stroomopwaarts tot Keulen, bleef een Germaanse taal spreken, doordat daar steeds meer streekbewoners werden gerekruteerd.
In de Romeinse tijd rukte de Romaanse taal dus op naar het noorden; daarna, tijdens de veroveringstochten van de Germaanse Franken, werd zij teruggedrongen naar het zuiden. Nu werd de sociale bovenlaag tot aan de Loire Germaans, zoals zij in de tijd van de romanisering Romaans was.
Een groot deel van het noorden van Frankrijk was in die tijd tweetalig Germaans-Romaans, en gedurende een paar eeuwen handhaafde het Germaans zich er. Maar in de zevende eeuw begon er opnieuw een romaniseringsbeweging en door de versmelting van beide volken werd de naam Franken voortaan ook gebezigd voor de (Romaans) taal. De nieuwe naam voor de Germaanse volkstaal hield hiermee verband: Diets of Duits, dat wil zeggen ‘volks’, ‘volkstaal’.
Door assimilatie van de Romaanse bevolking in het noorden (Boullonais, Vlaanderen, Brabant en Limburg) en het oosten (Rijnland) en van de Germaanse bevolking ten zuidwesten daarvan, ontstond in de zevende en achtste eeuw de taalgrens Etaples-Montreuil-Fruges-Béthune-Rijsel-Moeskroen-Ronse-Aat-’s-Gravenbrakel-Borgworm-Wezet-Limbourg.
In de eeuwen die volgden, werd in het noorden van Frankrijk het Germaans ver naar het noorden teruggedrongen. Er waren in het Germaanse gebied Romaanse taaleilandjes blijven bestaan. In de negende eeuw werd het Romaans er versterkt door Romaanse migranten naar het Germaanse gebied, bijvoorbeeld in de streek van Boulogne en Calais. De grote romaniseringsgolf vond echter in de elfde en twaalfde eeuw plaats. Vanaf de lijn Mariquise-Lumbres hield het Germaans, maar we kunnen nu ook van Nederlands spreken, nog wat langer stand. De streek van Guines was in de dertiende eeuw nog geheel Nederlandstalig en Calais werd zelfs in de dertiende eeuw opnieuw in het Nederlandse taalgebied opgenomen.
In de tijd voor schriftelijke overleving, is het Nederlandse taalgebied al ongeveer afgebakend. De grens met het Romaanse gebied benadert de ligging van de hedendaagse taalgrens zelfs vrij nauwkeurig. De plaats van het Nederlands binnen het Germaans is geschetst. We zullen nu bezien wat we uit de oudste teksten kunnen opmaken van het vroegste Nederlands. Oudnederlandse teksten zijn schaars en fragmentarisch bewaard gebleven. Geleerden die het oudste Nederlands bestuderen, moeten woekeren met hun materiaal.

De eenvoudigste manier om Oudnederlands te karakteriseren is de taal vergelijken met het Nederlands tussen 1150 en 1500, het Middelnederlands. Bepaalde ontwikkelingen hebben namelijk in het Oudnederlands nog niet plaatsgevonden.
Als gevolg van de Germaanse klemtoonverschuiving naar de eerste lettergreep, is het woordeinde langzamerhand verschrompeld. Unbidan (‘wachten op’) werd in het Nederlands van een paar eeuwen later Ontbiden. Het woord is inmiddels uit de taal verdwenen, maar in het verwante Engelse to bide en abide blijven bestaan. Hebban werd al in het Middelnederlands hebben, met een sjwa in de laatste lettergreep.
Ald en old zijn in het Oudnederlands nog niet veranderd in oud, zoals in de woorden ald (later oud), of gold (later goud). De th-klank, zowel de stemloze uit het Engelse thing als de stemhebbende uit that, is nog niet veranderd in een d: thu is nog geen du (‘jij’) geworden.
Het (Oud)Nederlands onderscheidt zich ook door eigen ontwikkelingen van omringende talen, De Germaanse tweeklanken ai en au zijn in het (Oud)Nederlands in veel gevallen gewone klinkers geworden (vergelijk het Duitse Bein en Baum met het Nederlandse been en boom). Een van de bekendste (Oud)Nederlandse sjibbolets is de stemhebbende g, die nu nog voorkomt in het midden van zeggen en aan het begin van gloren (dus niet de stemloze, ‘harde’ g van chloor). De beginklank van geven onderscheidt zich duidelijk van die in de verwante Duitse en Engelse woorden geben en give.
Er zijn dus kenmerken die het Oudnederlands van andere talen onderscheiden, maar we kunnen er bij gebrek aan schriftelijk bewijsmateriaal alleen geen jaartal aan verbinden. Aan het einde van de negende eeuw kan er zeker van Nederlands gesproken worden: hoe lang daarvoor dat ook het geval was, kan niet met zekerheid worden uitgemaakt.
Wáár werd Oudnederlands gesproken? Niet alleen in de tijd, maar ook op de landkaart is het Oudnederlands lastig af te bakenen. De dialecten in het tegenwoordige Nederland, Duitsland en Vlaanderen leken zo sterk op elkaar, dat het in deze eeuwen en lang daarna onmogelijk is precieze grenzen te trekken. Het Oudnederlandse taalgebied was zowel groter als kleiner dan nu: Groter, omdat er in het zuidoosten stukken toe gerekend kunnen worden die nu Duits zijn (het Nederrijngebied), en omdat het zuidwesten de grens met het Romaans verder naar het zuiden lag. Kleiner, omdat er in de middeleeuwen in het noordoosten en het noordwesten nog delen waren waar Oudsaksisch (Nederduits) en Fries gesproken werd en die later Nederlands zijn geworden.
Een belangrijke bron van informatie over de kinderjaren van onze taal zijn Oudnederlandse woorden die in geschriften in een andere taal zijn overgeleverd. In Latijnse teksten worden plaatsnamen en persoonsnamen vermeld, al dan niet in een gelatiniseerde vorm. In Latijnse teksten komen ook glossen voor, aantekeningen die vertalingen van Latijnse woorden. Maar er zijn ook Oudnederlandse teksten. Over de vraag hoeveel precies zijn de geleerden het nog niet eens. Wij beperkend ons tot teksten waarover weinig onenigheid bestaat, namelijk de Leidse Willeram, de Wachtensdonkse psalmen en nog een enkele snipper, zoals de Hebban olla vogala-regels.
De Leidse Willeram is de bewerking die een Hollandse schrijver heeft gemaakt van d Hoogliedparafrase van Willeram, abt van Ebersburg. Het verloren gegane origineel werd omstreeks 1065 geschreven in het Oostnederfrankisch, een oostelijk Frankisch dialect dat nauw verwant is met het Westnederfrankisch van het Hebban olla vogala-versje. De kopiist, die de ganzenveer hanteerde rond het jaar 1100 in de abdij van Egmond, heeft zich ingespannen om de tekst aan te passen aan de taal van zijn omgeving, een werkwijze die in de middeleeuwen niet ongewoon is. Hij verving Hoogduitse door noordwestelijke Nederlandse woorden, vernederlandste voor- en achtervoegsels, en paste de verbuiging van de naamwoorden, maar ook de klank van de woorden aan. Veel woorden en combinaties van woorden zijn in deze tekst voor het eerst aangetroffen.
De Wachtendonkse psalmen zijn een Oudnederlandse bewerking van een Oudhoogduitse psalmvertaling uit het laatst kwart van de negende eeuw. De vertaler, van wie we de naam niet kennen, heeft onder elke Latijnse regel de vertaling geschreven. Omdat hij daarbij meestal de volgorde van de Latijnse woorden heeft gevolg, kunnen uit zijn tekst heel lastig conclusies getrokken worden over de natuurlijke zinsbouw van het Oudnederlands.

De geschiedenis van het handschrift met de Wachtendonkse psalmen is exemplarisch voor de lotgevallen van de oude teksten en laat zien hoeveel moeite taalkundigen zich moeten getroosten om licht te ontsteken in de duistere eeuwen van de taalgeschiedenis voor 1200. Niet alleen zijn exemplaren van de Oudhoogduitse psalmvertaling die de bewerker op zijn lessenaar had liggen, verloren gegaan (door brand, door plunderingen?), maar ook de Oudnederlandse bewerking zelf is spoorloos verdwenen. Hoe is het moegelijk dat we er toch een deel van kennen?
In de zestiende eeuw bestond het manuscript nog; het bevond zich in handen van de Luikse kanunnik Arnold Wachtendonk. Toen de beroemde Brabantse humanist Justus Lipsius het bij hem onder ogen kreeg, raakte hij er zo door geïntrigeerd dat hij het helemaal liet overschrijven. Is dit dan de versie die we kennen? Nee, ook deze kopie is verloren gegaan, met uitzondering van een fragment dat Lipsius eigenhandig overschreef en aan een vriend stuurde.
Honderden jaren verstreken. In het begin van de vorige eeuw dook een fragment van een kopie (psalm 18 en psalm 53 vanaf vers 7 tot psalm 73 tot vers 9) op in de bibliotheek van een zekere Von Diez in Berlijn. Dat dit afschrift daadwerkelijk ‘afstamt’ van de codex van Wachtendonk, kon worden aangetoond door het te vergelijken met de zogenaamde ‘glossen’ van Lipsius, lijsten van woorden uit het Wachtendonkse handschrift, door de geleerden van vele verklaringen voorzien. Lipsius had 670 van deze glossen toegevoegd aan de brief aan zijn vriend. Ook deze glossen waren met fouten overgeleverd, maar in 1880 werd onder de papieren van Lipsius in de Leidse universiteitbibliotheek een volledige, vrij goed overgeleverde verzameling van de psalm waaruit het afkomstig was. Zowel in het
Handschrift-Diez als in deze glossen komen dezelfde schrijffouten voor. Ze moeten dus een gemeenschappelijke bron hebben.
Behalve de al genoemde psalmen zijn nog in een wat jongere kopie bewaard gebleven de nummers 1, 2 en 3 uit het Wachtendonkse manuscript, precies de psalmen die ook nog in een vrij ongewijzigde Middelfrankische (Hoogduitse) versie werden gekopieerd. De Oudnederlandse kopiist zal geleidelijk zijn bron bewerkt hebben, zodat hij in het begin letterlijk overnam en nadien meer en meer de Hoogduitse tekst in zijn eigen taal overzette.
Het enige dat we van de bewerker weten, is dat hij een monnik was uit de streek tussen Venlo en Krefeld. Hij verrichtte zijn werk omstreeks 950 voor de nonnen van het klooster van Munsterbilzen in Limburg. Uit de glossen van Lipsius blijkt dat dit Munsterbilzense manuscript een vertaling bevatte van alle psalmen en van verschillende hymnen. Het verloren gaan ervan betekent voor de Nederlandse taalgeschiedenis een enorm verlies, maar wat er overbleef is nog altijd de belangrijkste bron voor onze kennis van het Oudnederlands.

het moet op vwo niveau zijn van de 3e klas!!

Help aub... !!!

Alvast bedankt,

Meisje
Met citaat reageren
Oud 18-02-2003, 14:43
martijn1985
Avatar van martijn1985
martijn1985 is offline
1 dit is niet echt ontopic.
2 waarom denk je dat wij jouw huiswerk gaan maken?
__________________
I hope to see my friend, and shake his hand. I hope the Pacific is as blue as it has been in my dreams. I hope.
Met citaat reageren
Oud 18-02-2003, 14:57
Verwijderd
Citaat:
martijn1985 schreef:
1 dit is niet echt ontopic.
2 waarom denk je dat wij jouw huiswerk gaan maken?
Idd, en helemaal zo'n lap tekst... doe lekker zelf..

Maar dat zinnetje is leuk
Met citaat reageren
Advertentie
Reageren

Topictools Zoek in deze topic
Zoek in deze topic:

Geavanceerd zoeken

Regels voor berichten
Je mag geen nieuwe topics starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag geen bijlagen versturen
Je mag niet je berichten bewerken

BB code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Spring naar

Soortgelijke topics
Forum Topic Reacties Laatste bericht
HAVO Gs bron 10 oud-nederlands
BerryHagendijk
15 21-05-2009 18:12
Huiswerkvragen: Klassieke & Moderne talen Boek Nederlands
gast Jr.
2 23-10-2005 21:24
Levensbeschouwing & Filosofie hoofddoek
Brenda_lelie
35 18-02-2003 12:54
Nieuws, Achtergronden & Wetenschap Angst voor de islam is niet terecht
Santje03
35 07-02-2003 10:56
Nieuws, Achtergronden & Wetenschap Pervers en/of Tiranniek
Quivarum
95 06-02-2003 16:27


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 05:09.