Door gebruik te maken van Scholieren.com of door hiernaast op ‘akkoord’ te klikken, ga je akkoord met onze gebruiksvoorwaarden en geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Als je niet alle cookies wilt toestaan, ga dan naar ‘instellingen aanpassen’ om dit in te stellen. Ben je jonger dan 16 jaar? Zorg dan dat je toestemming hebt van je ouders om onze site te bezoeken. Hier lees je alles over hoe wij omgaan met je privacy.

Oud 29-11-2007, 09:35
Verwijderd
Ik ben begonnen met het schrijven van een verhaal, maar ik ben bang dat de sprongen in de tijd verwarrend zijn en weinig toegevoegde waarde hebben. Ik ben benieuwd wat jullie hiervan vinden. En van het verhaal op zichzelf natuurlijk. Het is nog niet af, dat zul je wel merken.

___________________________________________________________


Ik zou je graag willen vertellen dat dit verhaal om klokslag elf uur begint, want een klokslag lijkt me een prachtig moment om een reeks aan memorabele gebeurtenissen in te luiden. Ik zou in vetgedrukte letters willen schrijven: “Attentie beste lezer! Hier volgt een verhaal dat je zal laten sidderen, beven, uiteenbarsten van leesgenot! Hier volgt een verhaal dat je de rest van je leven zult heugen! Na de elfde slag zal het festijn losbarsten, zullen aaneengeregen zinnen vol passie je leesorgaan laten gloeien tot het allerlaatste woord zich aandient!”
Het geval is echter dat ik te vroeg op onze afspraak ben. Om tien minuten vóór elf sta ik al voor haar deur, dus vergeet dat theatrale startschot. Niet alles dat mooi eindigt hoeft mooi te beginnen. Evenals dat niet alles dat slecht eindigt mooi hoeft te beginnen. Dingen beginnen zelden precies om klokslag elf uur.

In de reflectie van haar auto controleer ik of mijn haar nog goed zit. Ik kijk mezelf aan in de donkerrode lak en strijk mijn blouse glad. Mijn voorkomen is smetteloos. Ik twijfel tussen aanbellen of toch nog even wachten. Het is ochtend en ik ben te vroeg. Misschien staat ze nog onder de douche, is ze zich aan het aankleden of maakt ze zich op. Achter mij dendert lijn 2 de aflopende straat uit en doet wat gevallen bloesem voor het huis opwaaien. Ik hoor hoe het ratelende geluid van de busbanden op de kinderkopjes langzaam wegsterft. Ik hoor ook dat er muziek wordt aangezet in de kamer boven de voordeur, de kamer van Eva. Ik bel aan.
“Je bent te vroeg,” is alles dat ze zegt wanneer ze de deur voor me opendoet. Ik moet lachen en zij lacht nog half slaperig met me mee. Ze is overduidelijk net pas wakker. Op blote voeten en gehuld in een trainingsbroek en zwart T-shirt loopt ze voor me uit de trap op. Alles in dit gebouw is groot, veel groter dan bij mij thuis. De hal is breed en zeker vier meter hoog. Elke stap die ik zet klinkt door tussen de witte muren. Het huis ruikt naar natte hond, Eva ruikt naar slaap.


***

“Ik hoorde dat het uit is tussen jou en Marine.” zei Eva tegen me op een feestje, inmiddels drie maanden geleden. Het was haar allereerste poging een gesprek met me aan te gaan. Al jaren zaten we bij elkaar in de klas en nooit eerder voelde ze de drang om me aan te spreken. Ik heb me er nooit druk om gemaakt, begrijp me niet verkeerd, maar ik was verrast om haar plotselinge interesse in mijn liefdesleven. De hele avond hebben we gepraat. Over mijn relatie met Marine, over relaties in het algemeen. Dat het soms beter is om elkaar een tijdje niet te zien nadat het is stukgelopen. Dat de plotselinge verdwijning van iemand aan je zijde voelt alsof je een arm verloren hebt.
Naarmate de avond donkerder werd, het bier lauwer en de mensen om ons heen lawaaieriger, merkte ik dat Eva me steeds aardiger vond worden. Ik vroeg haar of ze dronken was, maar ze ontkende.
“Ik ben nooit dronken,” zei ze. “Ik word gewoon pas wakker rond middernacht.”
En wakker was ze. Haar ogen stonden wijd open en haar gezicht straalde. Ik had Eva nog nooit eerder echt wakker gezien, denk ik. Ik kende haar enkel van colleges waar ze vaak doodstil achterin de zaal zat, vergezeld door haar praatgrage vriendinnen. Af en toe keek ze op van haar notitieblok waar ze druk in krabbelde (en ik verdenk haar ervan dat ze dingen opschreef die vooral níet met kunstgeschiedenis te maken hadden) om haar dodelijke commentaar te leveren op de docent of een klasgenoot die een verkeerd antwoord gaf op een gestelde vraag. Eva kon als geen ander pijnlijke stiltes oproepen met haar snijdende opmerkingen. Om eerlijk te zijn was ik een beetje bang van Eva.
Eva sprak die avond op dat feestje honderduit over alle dingen die ze wist. Ze slingerde de meest uiteenlopende levenswijsheden naar mijn hoofd en ik was overdonderd door dit meisje, dat bier achterover gooide alsof het limonade was en de ene sigaret met de andere aanstak. Ze stelde me vragen die steeds confronterender werden en waar ik met moeite een antwoord op stamelde, mezelf constant afvragend of ze in lachen uit zou barsten of me zou afbranden om mijn stommiteit. Het feit dat Eva de hele avond aan mijn persoon gewijd had, deed me branden van nieuwsgierigheid en tegelijkertijd sidderen van angst. Ik had geen idee wat ze van me wilde. Eva keek me strak aan en ik deed mijn best mijn ogen niet steeds af te wenden uit verlegenheid.


***

Haar kamer is groot, leeg en wit. Een tweezitter en een bureau, een matras op de grond en een stapel kartonnen dozen naast een koelkast. Uit een radiootje op de vensterbank klinken Spaanse smartlappen.
“Ik heb koffie nodig,” zegt ze. “Wil jij ook?”
Maar zonder mijn antwoord af te wachten, loopt ze haar kamer weer uit. Ochtendlicht valt op de vale houten vloer. Ik neem elk klein detail in me op; de bruine vlekken op de grond in het midden van de kamer, de spinnenrag aan het plafond. Het streepjespatroon van haar dekbed, het doorgebrande stopcontact naast de deur. Lege flessen melk op de koelkast. Fijn stof dat opdwarrelt in zonnestralen. Wat geeft haar kamer nu weg over wat ze is? Eva is meer dan vuil en minimalisme. De twee grote, dampende koppen koffie waarmee ze terugkomt vertellen misschien meer over wat Eva is: zwart en bitter.
Ze staart uit het raam, naar de voorbijgangers die ze afkeurend nakijkt wanneer ze luid bellend langs het huis snellen.
“Die haast, daar heb ik echt een hekel aan,” zegt ze, waarna ze haar koffie neerzet en een sigaret opsteekt. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik denk niet dat ik mezelf eerder heb afgevraagd wat ik van haastende mensen vind.
“Alsof ze met iets constructiefs bezig zijn. Alsof ze niet gewoon net als jij en ik wachten op het moment dat ze dood neervallen.” Het is warm en de slierten rook drijven loom op de zomerlucht, ketsen af tegen de muren. Bedachtzaam draait ze haar hoofd naar me toe en kijkt me aan zoals zij dat kan. Met die priemende zwarte ogen, alsof ze je elk moment in brand kunnen laten vliegen.
“Nee, haast is nergens goed voor,” zeg ik snel, in de hoop voldaan te hebben aan haar verwachtingen. Ze lacht me uit.


***

Toen de nacht ochtend werd en onze, inmiddels dronken, vrienden constateerden dat de biervoorraad uitgeput was, nam Eva mijn telefoon ter hand en belde ze een taxibedrijf. Ik bood nog aan om haar met de fiets naar huis te brengen, maar dat wilde ze niet.
“Ik neem een taxi. Gun me verdorie mijn verzetje op donderdagavond.” Tien minuten later werd ze opgehaald door een grote zwarte Saab.

Ik stapte op mijn fiets en ontdekte een lekke band. Met de fiets in mijn hand liep ik terug naar Rheden en zag de vrijdag ontwaken. Mensen lieten hun honden uit, namen bussen naar hun werk en school. Krantenjongens deden hun ronde in de buitenwijken met het slaapzand nog in hun ogen. Ik werd nuchter van de winterkou en de lange wandeling.
Terwijl ik liep bleef ik denken aan Eva, die zo anders was dan Marine. Aan haar donkere haar en haar afgekloven nagels. Aan die zelfvoldane lach die ze laat klinken wanneer het haar uitkomt en niet wanneer jij je best doet om grappig te zijn. Aan al die jaren dat ik niet meer dan drie collegebanken van haar vandaan had gezeten en nooit een woord met haar gewisseld had. Ik wist niet of ik blij moest zijn dat ze die stilte tussen ons nu verbroken had. Ik had geen idee wat ik allemaal kon met zo’n Eva.

Ik besloot in Velp een korte pauze te houden. Verkleumd stapte ik een koffiezaak binnen en bestelde een espresso. Toen ik mijn portemonnee controleerde op genoeg kleingeld, viel mijn oog op het verfomfaaide papiertje dat daar nog altijd tussen de 5- en 10-centmuntjes zat. Ik vouwde het open en zag het telefoonnummer dat Marine daar lang geleden op neergeschreven had met haar meisjesachtige handschrift. Haar pasfoto uit het eindexamenjaar zat er aan vastgeniet. Marine lachte naar me vanaf haar foto zoals ze dat jaren gedaan had, alsof het nooit uit was gegaan. Alsof we nooit ruzie hadden gemaakt. Alsof ze tegen me zei:
“Bel me maar, dan praten we het uit.”


***

“We gaan.” Zegt Eva kordaat, pakt mijn mok uit mijn handen en gooit de resterende koffie in de gootsteen. Ik protesteer niet, uiteraard. Niet omdat haar actie intimiderend is, maar eerder omdat ik mijn uiterste best doe om niet te lachen. Ze steekt haar voeten in lompe, versleten legerkisten die zichtbaar te groot zijn. Ze ziet me ernaar kijken en ze zucht geïrriteerd.
“Die kisten waren van mijn vader en ik draag ze in zijn herinnering, okee? Ik weet dat ze lelijk zijn, maar je kunt een stomp op je gezicht krijgen als je me uitlacht.”
Uiteraard lach ik niet.

Eva rijdt als een bezetene.
“Ik haal zeker 180 kilometer per uur met deze oude rammelbak!” schreeuwt ze trots boven de muziek uit. Ze is opgewekt, zingt mee met liedjes van The Smiths op de radio, doet dansjes achter het stuur terwijl ze links en rechts langs tientallen auto’s raast. Ik vraag haar of ze alsjeblieft wat zachter wil rijden.
“Wat zeg je?”
“Of je wat zachter wil rijden!” roep ik benauwd.
Ik kan het haar niet kwalijk nemen dat ze wederom schaterlacht. Ze knipoogt naar me.
“Geef je over. Laat die deurhendel los en ontspan. Geniet van het feit dat je elk moment dood zou kunnen gaan, maar het niet doet. Dát is pas vrijheid.”
Ik luister naar haar, leg mijn krampachtig om de deurhendel geklemde handen op mijn schoot en haal diep adem.
“Je moet durven voelen, Benjamin. Steek je hoofd maar eens uit het raam.”
Ze doet het me voor. Met één hand aan het stuur en in de andere een sigaret hangt ze met haar bovenlichaam uit het raampje. Ze schreeuwt tegen de wind in. Haar zwarte haar waait alle kanten op.
“Nu jij!” commandeert Eva wanneer ze, godzijdank, weer op haar stoel zit. Ik zie tranen in haar ooghoeken.
“Volgens mij ben jij op sommige dagen al ruim vóór middernacht wakker,” zeg ik. Ik veeg een druppel uitgelopen mascara van haar wang. Voor een paar seconden kijken we elkaar aan. Ik wil haar zoenen, Nu! Hier! Met 180 kilometer per uur in een oude Opel op de snelweg.
“Vergeet het maar,” zegt Eva en ze draait haar hoofd weg.
“Ten eerste heb ik geen idee waar je het over hebt. Hoezo wakker worden vóór middernacht? Ik ben verdomme al een uur wakker en het is nog niet eens middag. En ten tweede ga ik je niet zoenen. Ik zie echt wel dat jij jezelf hier in een ‘moment’ waant, hoor. Maar dat kun je vergeten.”
Gelukkig weet Eva heel goed wat ze wil.


***

Eenmaal thuis waren mijn oren bevroren en had ik blaren op mijn voeten. Ik liet me op bed vallen en ik herinner me dat ik bijna een uur naar het plafond heb liggen staren voordat ik het lef had mijn telefoon te pakken.
Marine’s meisjesachtige handschrift. Grote, ronde cijfers. Met iedere toets die ik indrukte begon mijn hart sneller te kloppen. Zou ze al wakker zijn? Ik sprong op toen ik de telefoon over hoorde gaan. Eén keer, twee keer, drie keer. Ik ijsbeerde door de kamer en stond stil voor de spiegel toen ik Marine hoorde opnemen.
“Hallo? Met Marine.”
Ik wist niet wat ik moet zeggen. In de spiegel keek ik mezelf aan. Mijn haar was door de war gewaaid, mijn ogen herinnerden mezelf eraan dat ik doodmoe was.
“Hallo? Is daar iemand?”
“Ja, Marine. Met mij, Benjamin.”
“O, ben jij het. Waarom bel je zo vroeg? Het is zeven uur ’s ochtends.”
Ik stelde me voor hoe Marine in haar bed lag, tussen die grote stapels kussens en in haar zijden pyjama. Ik weet niet of het door de kou kwam, de eenzaamheid of de lange, dronken nacht, maar ik wilde niets liever dan naast haar liggen. Ik wilde haar lichaam tegen me aan voelen, haar adem op mijn borst.
“Ik mis je,” zei ik.
“Ben, niet doen...” smeekte ze.
“Sorry Marine, maar ik mis je gewoon.”
“Ben, ik hang op. We hebben het hier al over gehad. Je kunt niet telkens weer op mijn hart stampen en vervolgens doen alsof ik de wereld voor je beteken. Het is afgelopen nu.”
“Niet ophangen, alsjeblieft...”
“Jawel, ik ga weer slapen.”
“Mag ik langskomen vandaag?”
Ik hoorde Marine twijfelen. Ze had gelijk, ik had niet mogen bellen. Ik had per slot van rekening een punt achter de relatie gezet. Ze had me gevraagd om haar een tijdje met rust te laten en ik bleef mijn belofte verbreken. Marine was alles dat ik niet wilde, alles waar ik genoeg van had en daarom moest en zou ik haar blijven zien. Het was sadistisch van me. Iedere keer dat we opnieuw afspraken huilde ze en veinsde ik dat mijn liefde voor haar gecompliceerd, maar oprecht was.
“Waarom nou, Benjamin? Waarom maak je het me zo moeilijk?”
“Ik kom vanmiddag, okee?”
“Nee, ik wil je echt niet meer zien.”
“Goed,” zei ik, “Om 5 uur sta ik voor je deur. Ik neem je mee uit eten.”
Zonder haar antwoord af te wachten hing ik op. Ik wist dat ze die middag klaar zou staan. Ze zou de parfum dragen die ze van me gekregen had en ze zou blij en verdrietig tegelijkertijd zijn wanneer ze me zou zien.

***

De helse autorit op de snelweg eindigt wanneer we in Rheden aankomen. Binnen de bebouwde kom rijdt Eva opeens keurig.
“Waar woon je precies?” vraagt ze. Ze kijkt boos. Dat ik haar niet zomaar mocht zoenen had ik wel verwacht, maar dat ze ook kwaad zou worden wanneer ik er slechts aan dacht, overtrof mijn verwachtingen. Er zijn geen andere spelregels dan de hare. Je kunt je aan de regels houden of oprotten, zoveel was me nu duidelijk.
“Derde straat rechts en dan alsmaar rechtdoor.”

We rijden door het oude stadscentrum en langs de nieuwbouwhuizen in de buitenwijken. We raken steeds verder verwijderd van de bewoonde wereld. Bakstenen maken plaats voor groene heuvels. De zon schijnt fel aan een azuurblauwe hemel.
“Waar woon jij in godsnaam? Is het nog ver?” vraagt Eva.
“We zijn er bijna. Zie je dat zandpad? Daar moet je in.” Ik wijs in de juiste richting.
Eva kijkt vertwijfeld.
Asfalt wordt zand. Uitgestrekte grasvelden worden bomen. We draaien door de bochten van het steeds smaller wordende bospad. Koningvarens strijken langs de autoruiten en takken kraken onder de wielen. Eva steekt haar 5e sigaret van deze rit op.
“We gaan toch wel ergens naartoe hè?” vraagt ze.

Het bos opent zich op de plaats waar het zich altijd opent. Op de plaats waar een oude boswachter ooit besloot een huis te bouwen. Zorro komt luid blaffend op ons afgerend wanneer we door het hek het terrein op komen.
“Dus hier woon je?”
“Dat is een overbodige vraag, Eva.”
Ze lijkt tevreden met mijn antwoord. Eindelijk lacht ze weer. Van mij mag Eva altijd lachen. Hardop, met de cynische ondertoon, half dichtgeknepen ogen en haar perfecte gebit ontbloot.
“Zal ik je even rondleiden?” stel ik voor. Ze knikt, ze straalt, ze is wakker.
Ik leid haar langs de fruitbomen, de geitenwei, de kruidentuin van mijn moeder en ze vindt alles even prachtig.


***

Na het telefoongesprek met Marine voelde ik me wat lichter, alsof ik alle lasten en twijfels op haar afgeschoven had. Het luchtte op te weten dat ze waarschijnlijk niet meer kon slapen vanwege alle gedachten die door haar hoofd spookten. Ik kon eindelijk ontspannen.
Ik ben die middag niet naar haar toe gegaan. Ze heeft me drie keer proberen te bellen voordat ze het opgaf. Ik voelde me schuldig, maar niet schuldig genoeg om mijn excuses aan te bieden. Marine wist waar ze aan toe was. Ik had graag met haar willen eten, maar ik wist dat ze weer nou gaan beginnen over de relatie; over mijn gedrag en haar verdriet. In plaats daarvan heb ik Eva gebeld. Ze had geen plannen die dag, behalve het plan om in ieder geval niet met mij af te spreken. Eva maakte me haarfijn duidelijk dat ze me echt wel aardig vond, maar dat ze even genoeg van me had gezien. Ze gaf me toestemming haar de volgende week nog eens te bellen en een poging te wagen om haar mee uit te vragen.

In de dagen dat ik wachtte tot de week verstreken was en ik Eva weer mocht spreken, kreeg ik vier e-mails van Marine waarin ze schreef hoe teleurgesteld ze in me was. Ze schreef dat ze me niet meer wilde zien of spreken en dat ze dit ‘hoofdstuk’ af wilde sluiten. Ik heb haar opgezocht op haar kleine studentenkamer en de liefde met haar bedreven terwijl ze huilde dat ik haar kapotmaakte. Haar betraande gezicht was even mooi als altijd. Haar blonde krullen plakten aan haar wangen. Een paar minuten huilde ik met haar mee, om haar verdriet te delen en mezelf van mijn schuldgevoel te ontdoen. Na de seks hield ik haar vast, wiegde haar in mijn armen op en neer terwijl ze schokkend praatte over hoe moeilijk de hele situatie voor haar was. Toen ik haar vertelde over Eva, sloeg ze me in mijn gezicht. Ik wist dat ik het verdiende, dus ik kuste haar ogen, haar wangen, haar oren, haar lieve neusje en zei dat ik altijd van haar zou houden. Het hielp niet. Marine bleef huilen. Ik heb na mijn vertrek nog een uur onder haar raam gestaan om naar haar schrijnende gejammer te luisteren.


***

Eva speelt met de geiten terwijl ik thee zet. Vanuit de keuken zie ik hoe ze met de dieren meebokt, hun hoorns vastgrijpt, wegrent en op de houtstapels springt. Eva is niet bang om haar kleren vies te maken. Ze laat zichzelf op de grond vallen en rolt de kleine heuvel af, met de geiten achter haar aan.
“Ik vind het leuk hier,” zegt ze buiten adem wanneer ze bij me aan de tuintafel komt zitten om thee te drinken.
“Maar ik ben hier niet om te spelen. Je zou me helpen met mijn werkstuk.”
Bijna was ik vergeten hoe het me gelukt was om Eva mee naar mijn huis te krijgen. Ze is hier omdat ik het gereedschap heb dat ze nodig heeft, meer niet.
“Zal ik je mijn werkplaats dan maar laten zien?” vraag ik.

In mijn werkplaats licht ze de ontwerptekeningen toe voor de installatie die ze wil maken. Houten raderen die een groot, rond platform laten draaien. Wanneer ik haar vraag wat er uiteindelijk op het platform komt te staan, zegt ze:
“Ikzelf natuurlijk.”
“Natuurlijk,” antwoord ik en kan het niet laten om met mijn ogen te rollen.
Eva doet alsof ze het niet ziet.
“De docenten zullen vast roepen dat ik arrogant ben en dat ze mijn werk verafschuwen,” zegt Eva gepikeerd.
“Maar die zogenaamde kunstkenners zijn hypocriet. Ieder kunstwerk is een resultaat van het ego. Ieder mens dat zijn of haar gedachten gestalte geeft is een arrogante klootzak. Ik geef in tenminste toe dat ik mezelf als het centrum van het universum zie.”
Op het platform in de ontwerptekening schrijf ik Eva’s naam in grote, ronde letters. Ik probeer het handschrift van Marine te imiteren, maar het lukt niet.
Eva lacht: “Je schrijft als een meisje.”

Terwijl we aan de slag gaan met het aftekengereedschap ratelt Eva alsmaar door over haar overtuiging dat ze een groots kunstenaar gaat worden en dat de wereld haar zal aanbidden. Ze legt uit dat ze de kunst wil slopen.
“De kunst vraagt erom gesloopt worden,” zegt ze.
“Ze heeft zichzelf geschapen om uiteindelijk vernietigd te worden, dat is haar enige nut. Wat zou anders de reden zijn van haar bestaan?”
“Wat dacht je van de menselijke emotie?” stel ik voor. Eva snuift verontwaardigd.
“De menselijke emotie? Dat is de slechtste bestaansreden voor kunst. Menselijke emoties zijn niets meer dan kleine stroomstootjes in een grote vleesmachine.” Eva tikt op haar voorhoofd.
“Als we een kunstwerk mooi vinden, zal het ooit moeten vergaan. Iets dat schoonheid bezit, zal die schoonheid ooit moeten verliezen. Daarom worden we ouder. Daarom sterven bomen, planten en dieren. Kunst sterft niet uit zichzelf, dat moeten we vermoorden. Als we dat niet doen, wordt kunst waardeloos. Schoonheid heeft geen eeuwig recht van bestaan, daarom aanbidden we haar en moeten we haar vernietigen.”
“Ik dacht dat kunst slechts een resultaat van onze arrogantie was?” zeg ik in antwoord op haar relaas.
Eva twijfelt, denkt na.
“Dat is ook zo. Schoonheid is ook niets meer dan onze eigen arrogante beleving waaruit kunst geboren wordt.”
“Is arrogantie dan geen menselijke emotie?” vraag ik haar.
“Nee natuurlijk niet,” zegt ze. “Dat is niets meer dan instinct, een overlevingsmechanisme.”
“Is dat instinct dan geen stroomstootje in een vleesmachine?”
Eva stompt me op mijn schouder en loopt kwaad weg. Voordat ze de deur van de werkplaats achter haar dichtgooit, roept ze dat niemand het leuk vindt om met een bijdehante klootzak als mij te moeten praten.

Ik zoek Eva in de boomgaard, in de geitenwei en in de kruidentuin, maar ik kan haar niet vinden. Haar auto staat nog altijd op de oprit geparkeerd, dus ze moet nog in de buurt zijn. Ik besluit binnen op haar te wachten.

De telefoon gaat over. Ik neem op en zeg mijn naam, maar er komt geen response. Na een half minuutje zwijgend te hebben geluisterd naar het geruis van de hoorn, hoor ik zacht gesnik.
“Eva?” vraag ik. Het gesnikt wordt luider.
“Nee, klootzak.”
Ik herken Marines stem. Mijn eigen teleurstelling overvalt me. Ik had gehoopt voor het eerst van mijn leven Eva te mogen horen huilen. In plaats daarvan hoor ik Marines verdriet, dat ik al veel te vaak gehoord heb.
“Wat is er?” vraag ik verveeld. Er volgt een antwoord, maar ik luister er niet naar. Ik weet namelijk allang dat ik niets voor Marine kan betekenen. Ik kan haar pijn niet wegnemen, ik kan haar enkel meer pijn bezorgen. Dus sluit ik mijzelf af en laat mijn gedachten dwalen over de bospaden waar Eva op dit moment waarschijnlijk overheen struint op haar vaders legerkisten, verzonken in haar eigen gedachtespinsels.
Buiten zie ik de schaduwen alsmaar langer worden in het licht van de ondergaande zon. Soms is de wereld prachtig en lelijk tegelijkertijd. Nu is zo’n moment. Zomeravonden horen nooit te eindigen en toch doen ze het. Eva had hier moeten zijn en Marine had nooit geboren moeten worden. Liefde had vanzelfsprekend moeten zijn en niet zo gecompliceerd als ze nu is.
De hoorn voelt warm op mijn wang. Ik vraag me af hoe lang ik al naar het gepiep van de verbroken verbinding aan het luisteren ben.
“Wat ben je aan het doen?”
Ik schrik. Eva staat achter me.
“Ja staat al een half uur met die telefoon in je handen en het lijkt er niet op dat je met iemand in gesprek bent,” zegt ze.
Eva’s ogen schitteren in het schemerlicht. Ze heeft schrammen op haar gezicht en bloed op haar handen.
“Wat is er met jou gebeurd?” vraag ik bezorgd.
Eva haalt haar schouders op.
“Niks bijzonders. Ik heb gewandeld.”
Met citaat reageren
Advertentie
Oud 02-12-2007, 10:38
FIEloSOOF
FIEloSOOF is offline
Ik vind het wel gaaf. Ik vind je personages interessant, je hebt een aantal mooie zinnen en ik vind de sprongen in de tijd niet verwarrend.

Kzou je verhaal alleen in iets kleinere stukken hier droppen omdat veel mensen zo'n lange lap tekst nogal ehm.. lang vinden

Kben benieuwd naar het vervolg
__________________
wees gekust
Met citaat reageren
Oud 02-12-2007, 15:45
Verwijderd
dankjewel voor het lezen en voor je commentaar!

De volgende keer zal ik het in kleinere stukken posten, maar nu wilde ik gewoon een reactie op wat ik tot dusver geschreven had. Ik hoop dat nog meer mensen de moeite zullen nemen om het even door te lezen
Met citaat reageren
Oud 02-12-2007, 16:38
Verwijderd
Ja ik heb de moeite gedaan er doorheen gelezen. Ik vond het erg tof om te lezen alleen naar het einde toe hield je steeds minder mijn aandacht vast. Of eigenlijk alleen het laatste stuk. Ik ben wel heel erg benieuwd naar meer. De tijdsprongen vond ik goed te volgen, zeker omdat het steeds afgewisseld wordt tussen Eva en Marine.

Over het algemeen goed geschreven, er zitten echt gave stukken tussen en vooral Eva vind ik echt een kut persoonlijkheid hebben, knap om dat zo over te brengen.

Tot zover mijn, danwel niet bruikbare, commentaar.
Met citaat reageren
Oud 03-12-2007, 22:50
Verwijderd
Welke stukken vind je dan precies leuk? Daar ben ik wel benieuwd naar.

En in principe is Bejamin ook een klootzak, niet alleen Eva
Met citaat reageren
Oud 11-12-2007, 11:52
Verwijderd
jammer dat er zo weinig reacties op zijn gekomen... heeft er dan niemand nog op- of aanmerkingen?
Met citaat reageren
Oud 11-12-2007, 14:22
Verwijderd
Ik zie je reactie nu pas.
Ik zal snel een keer kijken welke stukken dat ook alweer waren.
Met citaat reageren
Oud 14-12-2007, 13:25
FIEloSOOF
FIEloSOOF is offline
Komt er een vervolg?
__________________
wees gekust
Met citaat reageren
Oud 14-12-2007, 17:13
Verwijderd
Citaat:
jammer dat er zo weinig reacties op zijn gekomen... heeft er dan niemand nog op- of aanmerkingen?
Als ik er aan denk zal ik dit topic na maandag nog eens aanklikken.
Met citaat reageren
Advertentie
Reageren

Topictools Zoek in deze topic
Zoek in deze topic:

Geavanceerd zoeken

Regels voor berichten
Je mag geen nieuwe topics starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag geen bijlagen versturen
Je mag niet je berichten bewerken

BB code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Spring naar


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 21:42.