Oud 09-11-2004, 16:49
catootje
Avatar van catootje
catootje is offline
A 3
abgrenzen gegen, sich - zich distantiëren van
ahnen - vermoeden
Altern, das - ouder worden
Anbiederung, die - aanpappen
anerkannt - gewaardeerd, geacht
anfällig - vatbaar, gevoelig
angesagt, ist - staat op het punt bekend te worden
Anlage, die - installatie, belegging
Anwendung, die - gebruik
auf Anhieb - meteen
aufhören - ophouden
aufsetzen - landen
aufwendig - kostbaar
aufziehen - opdraaien, opvoeden, optrekken
Auktion, die - veiling
Ausflug, der - uitstapje
ausgerüstet sein mit - voorzien zijn met
Auslastung, die - volledige benutting
auslösen - veroorzaken, teweegbrengen
ausreichend - voldoende
Aussehen, das - uiterlijk
aussteigen - uitstappen
Ausstellung, die - tentoonstelling
austoben, sich - zich uitleven
auswählen - uitkiezen

A 4
Abgeordnete, der - afgevaardigde
Abgrenzung, die - afbakening
abhauen - ervandoor gaan
ablehnen - afwijzen
Abschnitt, der - gedeelte
Achse, auf - op reis
Affront, der - belediging
ähnlich - gelijksoortig
allmählich - langzamerhand
Anfang, der - begin
angreifen - aanvallen
angucken - aankijken, bekijken
anregen - inspireren, aanzetten
ansagen - aankondigen, het leven bepalen
Anspruch erheben - aanspraak maken op
Anstand, der - fatsoen
Anzahl, die - aantal
Arbeitslosenquote, die - werkeloosheidscijfer
Attacke, die - aanval
auftauchen - opduiken
aufwachsen - opgroeien
Außenseiter, der - iemand die er niet bij hoort
ausgeprägt - duidelijk uitkomend, uitgesproken
ausländisch - buitenlands
ausnahmsweise - bij wijze van uitzondering
ausstrahlen - uitzenden
auswärtig - buitenlands
Autorin, die - schrijfster
avancieren - opklimmen, bevorderd worden

B 3
basteln - knutselen
Bedarf, bei – eintäuschen - indien nodig inruilen
Bedürfnis, das - behoefte
befördern - bevorderen, verplaatsen
Begründung, die - argumentatie
belegen - bewijzen
Bereich, der - terrein, gebied
Berührung, die - aanraking
Beschluss, der - besluit
Betriebkosten, die - bedrijfskosten
bevorzugen - voorkeur geven aan
bezeichnen - aanduiden
Beziehung, die - relatie
bilden - vormen
bisher(ig) - tot nu toe
Brechreiz, der - braakneiging
Bremse, die - rem
Bruchteil, der - fractie
Brust, die - borst
Busen, der - borst, boezem

B 4
Bauernhof, der - boerderij
bedrohen - bedreigen
Bedrohung, die - dreiging
bedürftig - behoeftig
beileibe nicht - om de dooie dood niet, beslist niet
beknackt - stom, suf, beroerd
bequem - geriefelijk, gemakzuchtig
Bescheid wissen - op de hoogte zijn
beschieden - gegeven
beschränken, sich – auf - zich beperken tot
besiedeln - bevolken
besiegen - overwinnen
beständig - constant, bestendig, duurzaam
bestimmen - bepalen
betagt - bejaard
Birne, die - peer, hoofd
bodenständig - eigen, nationaal, oorspronkelijk
Botschafterin, die - ambassadrice
brisant - uiterst explosief, zeer actueel
bügeln - strijken
bzw. - respectievelijk

C 3 / C 4 –

D 3
daherkommen - er aankomen
dahinsiechen - wegkwijnen
damals - toen(tertijd)
dechiffrieren - ontcijferen, decoderen
Denkmalschutz, unter - onder monumentenzorg
Dosenbier, das - bier in blik
Durst löschen - dorst lessen
Düsenantrieb, der - straalaandrijving

D 4
damalig - toenmalig
dementsprechend - (dien)overeenkomstig
Denunziation, die - verraad, verklikking
deutschsprachig - Duitstalig
dicht sein - in orde zijn
differenzieren - nuanceren
Dissertation, die - proefschrift
distanzlos - niet bescheiden
drängeln - dringen, zeuren
draußen - buiten
Drittel, ein - derde
dufte - tof

E 3
Ebene, die - plat vlak, terrein, niveau
Ehe, die - huwelijk
ehemalig - voormalig
ekelhaft - weerzinwekkend
empfindlich - gevoelig
Entfernung, die - afstand, verwijdering
Entscheidung, die - beslissing
entsprechen - overeenkomen met
entziffern - ontcijferen
Ereignis, das - gebeurtenis
erfolgen - gebeuren
erfordern - vereisen
erhalten - krijgen
erhältlich - verkrijgbaar
erklären - uitleggen
erlauben - toestaan
etwa - ongeveer


E 4
eben - nu eenmaal
Egalität, die - gelijkheid
Eidgenossenschaft, die - eedgenootschap, hier: Zwitserland
einstellen - stopzetten
Einzug, der - intocht
Eloquenz, die - welbespraaktheid
empfangen - ontvangen
empfehlen - aanbevelen
empfindsam - fijngevoelig
engagieren - inzetten, engageren
entblöden, sich nicht - niet terugschrikken voor
enthalten - bevatten
Entschädigung - schadeloosstelling
Entwertung, die - waardevermindering
Erdbeben, das - aardbeving
Erfindung, die - uitvinding
erfolgreich - succesvol
Ergebnis, das - resultaat
erkämpfen - bevechten
Erkenntnis, die - inzicht
ermitteln - vaststellen, opsporen
ermorden - vermoorden
errichten - oprichten
erstaunlich - verbazingwekkend
erstmals - voor de eerste keer
Erzeugnis, das - product

F 3
Fallschirm, der - parachute
Feind, der - vijand
fertigen lassen - laten maken
Fertigung, die - vervaardiging
Flohmarkt, der - rommelmarkt
Forscher, der - wetenschapper
Füllung, die - vulling
Furcht, die - angst, vrees

F 4
fertig - klaar
frech - brutaal
Freude, die - vreugde, blijdschap
froh - blij

G 3
gänzlich unbekannt - geheel onbekend
Gebäude, das - gebouw
Gefährt, das - gevaarte, voertuig, rijtuig
Gehäuse, das - omhulsel
geistesgegenwärtig - alert
Geschäftsführung, die - directie, bedrijfsleiding
geschweige denn - laat staan, om maar niet te spreken van
Gesellschaft, die - maatschappij
Getreide, das - graan
Gewebe, das - weefsel
Gleichgewicht, das - evenwicht
Groll, der - wrok
grundsätzlich - principieel
gucken - kijken

G 4
gefallen, sich etwas – lassen - zich iets laten welgevallen
Gefräßigkeit, die - vraatzucht, gulzigheid
Gefüge, das - structuur
gegenläufig - tegengestelde
Gegensatz, der - tegenstelling
gegenwärtig - op dit moment, tegenwoordig
Geheimnis, das - geheim
Geheiß, auf - op bevel
Gehweg, der - stoep
gemächlich - kalm, rustig
Genosse, der - kameraad
Geschäftsmann, der - zakenman
Geschmacklosigkeit, die - smakeloosheid
Geste, die - gebaar
Gewerkschaft, die - vakbond
Gewinn, der - winst
gewiss - zeker
gewöhnen, sich – an - wennen aan
gliedern - verdelen, onderverdelen
grassieren - heersen, woeden, de ronde doen
grob - grof
großartig - uniek
Gummi, der - condoom, rubber, gommetje

H 3
Haarnadelkurve, die - haarspeldbocht
heimlich - stiekem
Hersteller, der - producent
hervorrufen - tevoorschijn komen
höher angesiedelt - in hoger aanzien staan
Hohlkörper, der - hol voorwerp
Hölle, die - hel

H 4
Habenichts, der - arme drommel
halthalten - stoppen
Häscher, der - vervolger
hässlich - lelijk
Haushalt, der - huishouden
herabsehen - neerzien
herausgeben - uitgeven
herausragen - boven iets uitsteken
hinhauen, sich - gaan slapen
hinkriegen - voor elkaar krijgen
hinwegkommen, darüber - erover heenkomen
hoffnung, die - hoop

I 3
Identitätsbildung, die - vorming van de identiteit
im Nu - plotseling, in een oogwenk
Inbegriff, der - summum, prototype
Ingwer, der - gember
Intervention, die - tussenkomst

I 4
ignorieren - negeren
ihrerseits - van haar kant
inbrünstig - vurig, hevig
inserieren - adverteren

J 3
jedoch - echter
jemals - ooit

J 4
Jahrhundert, das - eeuw
Jahrtausend, das - millennium, 1000 jaar
jedenfalls - in elk geval
jeweilig - van het ogenblik

K 3
Kampf, der - strijd, wedstrijd
klar - duidelijk
Klaren, sich über etwas im – sein - iets duidelijk inzien
Körper, der - lichaam
Krebs, der - kanker, kreeft
Kunde, der - klant

K 4
kaschieren - verbergen
Klatsch, der - geklets
klatschen - applaudisseren, roddelen
Klima, das - klimaat
kostenlos - gratis
kotzig - kotsmisselijk
kultiviert - beschaafd
kumpelhaft - kameraadschappelijk
kurieren - genezen
Kurort, der - ontspanningsoord

L 3
lediglich - enkel en alleen
letztlich - uiteindelijk
Lösung, die - oplossing

L 4
Laune, die - gril, humeur
lauschen - luisteren
Laut, der - klank, geluid
Lautstärke, die - volume
Lebensart, die - manier van leven
Legislative, die - wetgevende vergadering
Lehre, die - (leer)tijd, onderwijs
leiden, jemanden nicht – können - iemand niet kunnen uitstaan
leihen - lenen
letztendlich - uiteindelijk
lückenlos - zonder fouten

M 3
Markknochen, der - mergbeen
Maßnahme, die - maatregel
Mischung, die - mengsel
Mühle, die - molen, fiets
Muster, das - patroon, model

M 4
martern - martelen
mickrig - armetierig, karig
Misstrauen, das - wantrouwen
Mitläuferin, die - meeloopster
Mitleid, das - medelijden
mitnehmen - aangrijpen, meenemen
mittlerweile - inmiddels
mögen - prettig vinden
monatlich - maandelijks
Müll, der - afval
Mundart, die - dialect

N 3
Nachhinein, im - naderhand
nachstehen, um nichts - gelijkwaardig zijn
Nachweis, der - bewijs

N 4
Nachbar, der - buurman
Nachricht, die - bericht
nah - dichtbij
neidisch - jaloers
Neuigkeiten, die - nieuwtjes
neulich - onlangs
niedlich - lief

O 3
Oberschenkel, der - dijbeen

O 4
oberflächlich - oppervlakkig
offenbar - blijkbaar
omnipräsent - alomtegenwoordig

Q 3 / Q4

R 3
Rahmen, der - frame, kader, lijst
rasieren - scheren
Raupe, die - rups
Rausch, der - roes, bedwelming
reichen - voldoende zijn
Reifen, der - band
Reiseaufkommen, das - opbrengst van de reis

R 4
Rache, die - wraak
Rahmen, im - in het kader van
Rathaus, das - stadhuis
Ratschlag, der - advies
Regierungssitz, der - regeringszetel
Reinheit, die - zuiverheid
Rekrut, der - rekruut (net aangenomen soldaat)
Resistenz, die - weerstand
revidieren - herzien
Riesenerfolg, der - groot succes
ringen - worstelen
rücksichtslos - niets ontziend
Rundfunk, der - radio(omroep)

S 3
Sakrileg, das - heiligschennis
sämtlich - geheel, totaal, gezamenlijk
scharf sein auf - iets dolgraag willen
Schenkel, der - dijbeen
Schicht, die - laag
Schildkröte, die - schildpad
Schlitz, der - spleet, gleuf
schlucken - slikken
Schmerz, der - pijn
schmollen - mokken
Schnippchen schlagen, ein - een loopje nemen met
Schnitt, der - patroon
schonen - sparen, ontzien
schüren - stimuleren
Schwachsinn, der - onzin
Schweinerei, die - gemene streek, rotzooi
Schwiegermutter, die - schoonmoeder
Sondermodell, das - speciaal model
Speichenrad, das - spaakwiel
Spitze, die - top
spritzen - spuiten
statt - in plaats van
Stirn bieten, die - weerstand bieden
stolz - trots
Strecke, die - traject

S 4
Schäferhund, der - herdershond
Scherzkeks, der - grappenmaker
schildern - beschrijven
Schnee, der - sneeuw
Schwall, der - stroom
Seite, die - bladzijde
Selbstverwaltung, die - zelfbestuur
Seuche, die - epidemie
Sitzung, die - vergadering
Sparbuch, das - spaarbankboekje
Sprache, die - taal
Sprachführer, der - taalgids
Stätte, die - plaats
Steuern, die - belastingen
stimmt - klopt
stolpern - struikelen
Streifen, der - strook
sumpfig - moerassig

T 3
tendieren - neigen
Termin, der - afspraak
Thunfisch, der - tonijn
Tierversuch, der - dierexperiment
Traum, einen – hegen - een droom koesteren
Treibstoffverbrauch, der - brandstofverbruik
Tüftler, der - knutselaar

T 4
Tacheles reden - iemand ronduit zeggen waar het om gaat
teutonisch - West-Germaans
Tischsitte, die - tafelgewoonte
todesmutig - met doodsverachting
tolerant - verdraagzaam
Tratsch, der - geroddel
trennen - scheiden
Trottel, der - sukkel
tüchtig - bekwaam

U 3
Übelkeit, die - misselijkheid
überführen - (iemands schuld) bewijzen
überlegen, sich - overwegen
üblich - gebruikelijk
umständlich - omslachtig
unerlässlich - beslist noodzakelijk
Unterlagen, die - (bewijs)stukken
unterlaufen - omzeilen, ontwijken
unterliegen - onderworpen zijn aan

U 4
überflüssig - overbodig
überschaubar - overzichtelijk
übersetzen - vertalen
Umgangssprache, die - omgangstaal
unentbehrlich - onmisbaar
unerfindlich - onverklaarbaar
unerheblich - onbelangrijk
ungeheuer - zeer, reusachtig
unlängst - kort geleden
unterjubeln, einem etwas - iemand iets in de schoenen schuiven
Unterkunft, die - onderdak
Unterschlupf, der - onderdak, schuilplaats
Untertreibung, die - understatement
unüberwindlich - onoverwinnelijk
unverständlich - onbegrijpelijk
Unverständnis, das - onbegrip
Urlauber, der - vakantieganger

V 3
Verfügung stehen, zur - ter beschikking staan
Verhältnis, das - omstandigheid, verhouding
verletzen - verwonden, kwetsen
Verletzung, die - blessure, verwonding
veröffentlichen - publiceren
versauen - bederven, verpesten
verschlüsseln - versleutelen, coderen
verschwinden - verdwijnen
Vertilger, der - verdelger
völlig entsetzt - geheel ontdaan
vorgegeben - vastgesteld
vorher - (van) tevoren, eerst
vorzeitig - vroegtijdig

V 4
verbitten, sich etwas - dringend verzoeken van iets verschoond te
blijven
verbrecherisch - misdadig
verbringen - doorbrengen
Vereinzelung, die - vereenzaming
Verfasser, der - schrijver
Verfassung, die - grondwet
vergewissern, sich - zich op de hoogte stellen
vergnüglich - vermakelijk
verhasst - gehaat
verkommen - in verval raken
verleben - doorbrengen
vernünftig - slim, redelijk, verstandig
Verordnung, die - verordening, voorschrift
verpissen, sich - ervandoor gaan
verprügeln - in elkaar slaan
Verständigung, die - begrip, verstandhouding
Verständnis, das - begrip
verwenden - gebruiken
Verzögerung, die - vertraging
vielleicht - misschien
Völkerverständigung, die - begrip tussen volken
Vordrängeln - voordringen
vorfinden - aantreffen
Vormarsch, der - het oprukken
Vorschlag, der - voorstel
vorübergehend - tijdelijk
vorwerfen - verwijten

W 3
warnen - waarschuwen
wedeln - kwispelen
weich werden - toegeven
Weißblech, das - blik
wenden an, sich - zich richten tot
Werbung, die - reclame
Werkzeug, das - gereedschap
widerlich - weerzinwekkend, afschuwelijk
Widerwillen erregen - weerzin oproepen

W 4
Wahl, die - keuze
wählen - kiezen
Wanken ins - aan het wankelen
weh - pijn
weit verbreitet - wijdverspreid
wenngleich - hoewel

Werbegeschenk, das - reclamecadeau
wichtig - belangrijk
Widerspruch, der - tegenstrijdigheid, tegenspraak
Widerstand, der - verzet, weerstand
Wirtschaft, die - economie
Witz, der - grap

X 3 / X 4 –

Y 3 / Y 4 –

Z 3
Zahnpflege, die - tandverzorging
zeitgemaß - modern, van deze tijd
Zielgruppe, die - doelgroep
zittern - trillen
zudem - bovendien
Zugehörigkeitgefühl, das - gevoel ergens bij te (willen) horen
zugelassen - toegestaan
zugunsten - ten gunste van
Zukunft, die - toekomst
zusammenreimen - verklaren
Zusatznutzen, der - aanvullend voordeel
zutage fördern - aan het licht brengen
Zuwachs, der - groei, gezinsuitbreiding
Zwiebel, die - ui, bloemkool
zwingen - dwingen

Z 4
zart - teder, fragiel
zerkratzen - krassen maken
Zerrbild, das - karikatuur
Zeuge, der - getuige
Zuflucht, die - toevlucht
zugehörig - erbij horend
Zugzwang, in – kommen - moeten handelen
Zumutung, die - onbehoorlijke eis
Zündung, die - ontsteking
Zusatz, der - toevoeging
Zuspruch, der - goede raad, weerklank
zutrauen - toevertrouwen
zwanghaft - dwangmatig
zweifelsohne - zonder twijfel
Zweig, der - tak
Zwilling, der - tweeling
__________________
________________
Advertentie
Topic gesloten

Topictools Zoek in deze topic
Zoek in deze topic:

Geavanceerd zoeken

Regels voor berichten
Je mag geen nieuwe topics starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag geen bijlagen versturen
Je mag niet je berichten bewerken

BB code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Spring naar


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 00:12.