ef·´fect (het ~)
1 uitwerking, resultaat
2 indruk op het gemoed, de verbeelding of stemming
3 [sp.] afwijking in de baan van een speelbal
4 [hand.] onpersoonlijk, op de beurs verhandelbaar recht op kapitaal
ef·´fect·bal (de ~ (m.)) [sp.]
1 een zodanige manier van slaan, stoten, schoppen van een bal, dat deze van de rechte lijn afwijkt
ef·´fec·ten·beurs (de ~)
1 beurs voor de handel in effecten
ef·´fec·ten·han·del (de ~ (m.))
1 handel in effecten
ef·´fec·ten·huis (het ~)
1 bedrijf dat optreedt als tussenpersoon in de effectenhandel
ef·´fec·ten·ma·ke·laar (de ~ (m.))
1 makelaar in effecten
ef·´fec·ten·markt (de ~)
1 de stand van vraag en aanbod van effecten op een bepaalde tijd
ef·fec·´tief (bn.)
1 werkelijk, wezenlijk
2 doeltreffend
ef·´fec·tor (de ~ (m.)) [biol.]
1 orgaan dat reageert op een reflex
ef·fec·tu·´e·ren (ov.ww.)
1 ten uitvoer brengen => verwezenlijken
|