'Als U dan V, of 'S o P';
dit is slechts denken in termen van logisch gezwever.
Want van buitenaf gezien - hoe je't ook draait -,
mijn premisse, u, is even waar als mijn ander.'
Doch in één lijn wil ik niets trekken,
op één lijn is mij te veel.
Het gevoelswezen vol bijzonderheid,
dát is wat 'is'; of 't nu één of twee.
Maar lief, maak me niet wakker.
Laat mij maar zeveren in iets wat ik,
niet-snap. Ergens van binnen,
ik wéét, de logica zal wel volgen.
Dus voor nu, hoe misplaatst 't ook is:
Laat me leven in je armen,
heb me lief en kus mijn haar.
Sluit me op in je gedachten,
ik wil er bij-zijn, bij jou,
maar waar?
Ik zal je zoeken als je weg bent,
ik zal je volgen waar je gaat.
Ik zal je missen, me vergissen;
wanneer je wimpers niet meer naar me knipperen,
en mijn hoop op on-kloofheid verlogen is.
Wanneer je niet meer langer lacht,
of er van ons liefzijn niets meer over is.
'Want als je bij me weggaat, mag ik dan met je mee?'
Ik huil om de zin die, ook in díe cultuur de waarheid raakt.
__________________
eight days a week
|