Vaak wil ik rood zijn, als houden-van
passievol, vurig, innig geliefd
als schoppen, slaan, schreeuwen
heftig, soms wilde ik dat ik het was.
Maar vaker dan vuurrood dan toch bordeaux
of donkerblauw-zwart, een vergeten hoekje
onzeker, diep zwijgend en altijd gevoelig
soms wilde ik dat ik wat lichter was.
En dan toch weer blauw-purple-roze
als langszwervende zonsondergang
kleurenspel van gedachten, diepzinnig gepeins
de zin tegenover onzin, geloof: wel-niet-wel-niet.
Iemand
of
(niets)
Oppervlakkig gekeken, dan slechts lichtdonkergrijs
terwijl diep-dieper borrelend en juichend-huilend
daar werd niemand iemand en iemand
bestaat slechts in de nacht van het onbekende.
In zijn kleur
(en)
In zijn liefde
|