Bij de eerste opgave: je kijkt naar alle paren van getallen (a, b) met a, b in de verzameling {1, 2, 3, 4, 5, 6}. Voorbeelden van zulke paren zijn (1, 2), (5, 4) en (6, 6). Vervolgens moet je kijken voor welke van deze paren geldt: a + 2b > 11. Dat is bijvoorbeeld wel het geval voor (1, 6), want 1 + 2*6 = 13 > 11, maar niet voor (4, 1), want 4 + 2*1 = 6 < 11.
Bij de tweede opgave: hetzelfde, maar nu kijk je of geldt dat a = 1 (mod b). Aangenomen dat je weet hoe modulorekenen werkt, moet je daar wel uitkomen.
|