Op die ochtend, die zure in november,
gooide jij een liefdeloze emmer water
over het knispervuurtje in mijn hart.
Was het nu echt nodig, dat jij, mijn dierbare,
er zoveel plezier in had?
Ikzelf vond het maar niets - misschien
zoals verwacht - Toch veranderde ik mee,
zoals dat rusteloze vuur koos
voor een leven als onbeweeglijk ijs.
Ik werd robuust, maar
toch fragiel, en dreef langzaam
dobberend weg van jou.
__________________
...moet u maar bedenken dat Dwaasheid, die ook nog eens een vrouw is, aan het woord was. (EvR)
Laatst gewijzigd op 21-09-2004 om 18:06.
|